Pages: [1]   Go Down
  Print  
Author Topic: Uit SR's boekenkast: De verre reis  (Read 589 times)
0 Members and 2 Guests are viewing this topic.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« on: 09 August, 2009,; 10:20 »

In m'n boekenkast staan allerlei boekjes uit de tijd
toen ik net m'n Eerste Heilige Communie gedaan had.

Dat was op 30 april 1967.

Eén van die boekjes bevat een erg aardig verhaal over
de verre reis van Josef en Judit.

Het verhaal wordt verteld door de schrijfster Lea Smulder.

En ik ga het nu aan jullie vertellen ...

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #1 on: 09 August, 2009,; 10:21 »

In de woestijn

Dit is een verhaal van lang, héél lang geleden.
Het land, waar het gebeurde, is ver van hier. Het is het land van de Rode Zee en de woestijnen.
Lang geleden dan, ging er een grote groep mensen op reis.
Het waren Joden. En hun reis ging door de woestijn.
Een gemakkelijke reis was het niet. Woestijnen zijn meestal erg groot. De zon kan er héél heet branden. Maar er groeien bijna nergens bomen of struiken. En heel af en toe maar, vind je er een bron, waar je water kunt drinken. In de woestijn zijn kale rotsen. En heel grote stukken zijn bedekt met zand. Niets anders dan zand, zie je daar. Zover je maar kijken kunt.
Toch reisden de Joden door de woestijn.
Er waren mannen en vrouwen.
En er waren ook kinderen. Kleine jongens en kleine meisjes, net als jullie, die toch al mee moesten op die moeilijke tocht.
Een van die jongens heette Josef.
Een van die meisjes Judit.
Ze waren broer en zus en bijna altijd waren ze samen.
Josef en Judit waren nog pas acht en zes jaar. Maar toch hadden ze al veel verdriet gehad. Ze waren geboren in een land, waar de koning niet van Joden hield.
Egypte heette dat land en de koning werd daar Fara-o genoemd. De farao liet de Joden heel hard werken. En als ze iets deden wat verkeerd was, werden ze vreselijk zwaar gestraft.
Maar God zou de Joden helpen.
God had aan het volk van Josef en Judit een belofte gedaan. De Verlosser van alle mensen, zou bij het joodse volk geboren worden. Daarom zorgde Hij dat ze weg konden uit Egypte. En Hij beloofde ze een land, waar het goed was om te wonen.
Met de hulp van God waren ze vertrokken.
Zonder die hulp waren ze nooit weggekomen, want de farao wilde het niet. Maar de wil van God is groter dan die van de machtigste farao. En daarom gebeurde het tòch.
Josef en Judit voelden zich heel blij, omdat God hen hielp. Ze stapten dapper over de kale, dorre grond. Met al die joodse mannen. En al die joodse vrouwen. En met al die andere joodse kinderen.
Toen het avond werd, zetten de grote mensen hun tenten op, waar ze die nacht konden slapen. De kinderen bleven nog wat spelen. Maar niet lang meer, want ze waren allemaal moe van het lopen door de brandende zon.
“Josef,” vroeg Judit, “hoe zou het er uitzien in het land dat God ons heeft beloofd?”
“Vast heel mooi,” bedacht Josef. “Er zullen hoge bomen groeien. Palmbomen, met groene blaren.”
“Zouden er ook vijgen groeien? En sappige druiven?” vroeg Judit, terwijl ze op de grond ging zitten.
Josef likte eens langs zijn lippen.
“Natuurlijk groeien er vijgen en druiven. We zullen er alles vinden, wat we nodig hebben. En het mooiste is nog wel, dat vader en moeder niet meer zo hard hoeven te werken. En slaag krijgen ze nooit meer.”
Judit rilde even, toen ze er aan dacht, hoe akelig dat allemaal geweest was.
“We gaan lekker nooit meer naar Egypte terug, hè Josef,” zei ze. “De farao kan ons niets meer doen.”
Zo bleven ze nog wat babbelen, totdat Sara, de moeder van Josef en Judit in de opening van de tent kwam.
“Jullie moeten gaan slapen,” zei ze. “Morgen moeten we weer verder trekken.”
“Duurt de reis nog lang?” wou Judit weten.
“Dat weer ik niet,” zei moeder Sara. “Dat weet God alleen. Maar als we op Hem blijven vertrouwen, zal Hij ons altijd helpen. Al duurt de reis nóg zo lang.”

Het was nacht.
De plaats waar de Joden nu sliepen leek wel een grote stad. Een stad met tenten in plaats van huizen.
Er was één man, die niet sliep. Zijn naam was Moses.
Hij was een grote vriend van God.
Dikwijls sprak God met Moses. God had hem tot leider van het joodse volk gemaakt. De leider, die de joden naar het Beloofde Land moest brengen.
Moses wist dat God het volk helpen zou. Op bevel van God, had hij de Joden meegenomen uit Egypte. Nu waren ze samen in de woestijn. De reis naar het Beloofde Land zou zwaar zijn. Heel veel lange jaren zouden ze van de ene woestijn naar de andere moeten trekken. Maar Moses vertrouwde op God.
En die nacht, toen iedereen sliep, was Moses nog wakker en bad: “God, help Uw volk!”
Dat en nog veel meer bad Moses, terwijl Josef en Judit lagen te dromen van het Beloofde Land. Waar vijgen en sappige druiven zouden groeien. En waar het goed was om te wonen.

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #2 on: 09 August, 2009,; 10:22 »

Het water van Mara

Drie dagen was het joodse volk nu onderweg. Iedere morgen opnieuw trokken ze verder. Alle joodse mannen, vrouwen en kinderen. En ook de dieren, die ze hadden meegenomen.
Josef en Judit liepen hand in hand, met hun hoofdjes gebogen. Ze keken omlaag naar de grond, waar hun voeten grappige kuiltjes maakten in het droge zand.
Dat was een spelletje dat ze verzonnen hadden. Eerlijk gezegd begonnen ze dat reizen en trekken door die kale vlakte maar saai te vinden. Daarom moesten ze wel spelletjes verzinnen. Spelletjes, die je spelen kon onder het lopen.
“Moeder, ik heb dorst,” riep Judit.
Moeder Sara, die met een paar andere vrouwen achter de twee kinderen liep, zuchtte even.
Al zo vaak hadden Josef en Judit vandaag geroepen dat ze dorst hadden! Ze haalde een kruikje tevoorschijn, waarin nog een klein beetje water zat.
“Judit,” zei ze, “het water is bijna op. Ik weet niet hoe lang het duren zal, voor we een water-bron zullen vinden. Kun je nog niet even wachten?”
Judit smakte met haar droge mondje.
Maar ze zei dapper: “Ik zal het proberen. Doet U de kruik maar weer weg, moeder.”
Weer zuchtte moeder Sara. Het is heel verdrietig, als je je kinderen geen drinken kunt geven, wanneer ze er om vragen.
“We zijn pas drie dagen onderweg en nu hebben we al geen water meer,” zei ze tegen de andere vrouwen.
“Al onze kruiken zijn haast leeg,” zei de vrouw, die naast haar liep. “Er is niets meer te drinken en dat met die hitte!”
Zwijgend liepen ze voort. Na een uurtje liet moeder Sara het laatste restje water door Josef en Judit opdrinken. Hoelang nog zouden ze moeten lopen, voor ze hun kruik konden vullen?
Ook de dieren hadden dorst. Ze loeiden en blaatten, dat het náár was om aan te horen. Judit werd er angstig van. Ze greep Josefs hand nog steviger beet.
“Ben maar niet bang Judit,” fluisterde Josef haar toe.
“God zal ons helpen. Moses heeft het zelf gezegd.”
Na een poos kwamen ze bij een plaats, die Mara heette. Iedereen was blij, toen ze de plaats in de verte zagen liggen. In Mara zou wèl water zijn! De mensen haalden hun drinkbekers alweer voor de dag.
Josef trok zijn zusje mee en drong tussen de anderen naar voren. Ongeduldig als hij was, om het water van Mara te zien en .….: te drinken.
“Ik drink zóveel, dat ik in een hele week geen dorst meer kan krijgen,” riep Judit.
“Dat zou gemakkelijk zijn,” lachte Josef. “Als je dat maar kon.”
Nee, hij wist wel, dat de dorst gauw genoeg terug zou komen, al dronk je ook nog zoveel. Maar daar dacht hij nu niet over. Daar, vlakbij, was eindelijk water te vinden. Ze zouden er kunnen drinken en hun kruiken vullen tot de rand. Ze zouden zich kunnen wassen, tot ze helemaal opgefrist waren.
“Kom mee,” riep hij vrolijk. “Hoe harder we lopen, hoe eerder we bij het water zijn.”
En Judit danste achter hem aan.
Op vlugge voetjes naar het water van Mara.
Daar was het water dan. Helder glansde het in de felle zon. Maar de mensen, die voor ze uit waren gegaan, dronken niet. Ze stonden daar met boze, bange gezichten. En toen Josef en Judit dichterbij kwamen, bemerkten ze, dat dat fluisteren mopperen was.
“Waarom drinken jullie niet? Hebben jullie geen dorst?” schreeuwde Josef, die er niets van begreep.
“Stil jongen,” riepen een paar mannen. “Ga naar je moeder en schreeuw niet zo.”
” Maar ik wil water!” riep Josef verbaasd. “mag ik dan soms niet aan dat water komen?“
De mannen keerden zich om en keken niet meer naar die kleine, vragende jongen. Maar een oude vrouw, die er ook bij stond, streek Judit en Josef over hun haar en zei: “Het is heel erg, beste kinderen, maar je kunt dit water niet drinken. Het is bitter.”
Toen Judit dat hoorde, begon ze te huilen. Maar Josef kon het nog niet geloven.
“Weet U wel zeker dat het bitter smaakt? Hebt U het zelf dan geproefd.”
“Het water van Mara is zó bitter, dat je het niet drinken kunt,” zei de oude vrouw. “Jullie zult niets krijgen voor de dorst. Maar kom, probeer dapper te zijn.”
Judit rukte zich los en holde huilend naar moeder Sara terug. Maar Josef bleef staan. Vlak bij het water, dat er zo koel en fris uitzag. Maar dat hij toch niet drinken kon. Hij hoorde hoe de mannen tegen elkaar zeiden:
Hoe kunnen we verder reizen in deze droge, hete woestijn, als er nergens water is? We zullen nog ziek worden van de dorst. Het is niet meer om uit te houden. Van onze reis naar het Beloofde Land komt niets terecht. Daar komen we nooit, let maar eens op.
En God dan? Dacht Josef verschrikt. God heeft ons dat Land toch beloofd? Hij kan ons toch niet in de steek laten. Hij heeft ons immers zo goed geholpen, om uit Egypte weg te komen?
Josef durfde het niet tegen al die mopperende mannen te zeggen. En juist wilde hij ook naar moeder Sara gaan, toen Moses bij de mannen kwam staan.
Was Moses ook ontevreden?
Josef keek naar zijn gezicht. Dat stond wel heel bezorgd. Zou Moses ook bang zijn, dat ze de reis naar het Beloofde Land niet af konden maken?
“Wat moeten we drinken? “ schreeuwden de mannen boos.
Met open mond luisterde Josef naar wat Moses zeggen ging. Zou het zijn: Ik weet het niet? En zou Moses soms ook gaan mopperen en schreeuwen?
Nee, Moses zei heel kalm: “God zal ons helpen.”
Toen keerde hij zich om en ging weg.
De mannen mopperden ongeduldig verder. Zij konden niet geloven, dat God hen ook nu weer helpen zou.
Maar Josef rende weg. Hij wrong zich tussen de mensen door, totdat hij moeder Sara en Judit gevonden had. Judit huilde nog altijd en ook in moeders ogen blonken tranen.
“Jullie zijn dom,” riep Josef. “Jullie moeten niet huilen. Weten jullie dan niet, dat God ons altijd helpt?” Moses heeft het daareven ook gezegd.”
Moeder veegde haar tranen weg en zei: “Je hebt gelijk Josef. Wij moeten op God vertrouwen. Kom Judit, kijk naar de broertje, hoe flink die is.”
Judit stopte haar hete gezichtje in moeders kleed. Als God maar niet zo lang meer wacht, dacht ze.
Zou God wel weten, wat voor een verschrikkelijke dorst ik heb?
Ja, God wist wel hoe erg de dorst van Judit en van alle andere mensen was.
En tegen Moses, die was weggegaan om te bidden, zei Hij: ‘Zie, daar ligt een stuk hout. Gooi het in het water van Mara.”
Een stuk hout in het water gooien? Waar kon dat nu goed voor zijn! Moses wist het niet. Maar alles wat God zei, was goed. Daarom raapte hij het stuk hout op en ging er mee naar het water terug. En terwijl de mannen nog mopperden, gooide hij het in het water. Niemand begreep waarom Moses dat deed.
Maar Moses dronk van het water en bemerkte dat het niet langer bitter was, maar zoet.
“God heeft ons ook nu weer geholpen,” zei Moses.
“Drinkt allemaal zoveel ge maar wilt. En vult Uw kruiken tot de rand. Want het water van Mara, dat bitter was, is zoet geworden.”
De mannen, die gemopperd hadden, keken beschaamd voor zich uit. Maar Josef en Judit sprongen op het water toe. En terwijl ze dronken, dankten ze de goede God, die hen hielp op hun verre reis.

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #3 on: 09 August, 2009,; 10:33 »

De reis ging verder

Josef en Judit zaten samen onder een hoge palmboom en vrolijk waren ze met elkaar aan het praten.
“Wat fijn is het hier, “ zei Judit. “Ik wou dat dit het Beloofde Land was, dan mochten we hier altijd blijven.”
Na dagen van reizen en trekken waren ze bij de plaats Elim aangekomen. Daar was het zó fijn, dat de Joden er hun tenten opsloegen en er een poos bleven uitrusten. Er was water volop en er groeiden wel zeventig palmbomen. Na die kale, dorre grond van de woestijn, was het hier heerlijk om te wonen.
“Als ik in het Beloofde Land ben, ga ik nooit meer op reis,” vertelde Judit tegen haar broertje. “Dan bouwt vader voor ons een fijn huis en daar blijven we altijd wonen.”
“Misschien krijgen we wel een tuin met palmbomen erin, “ bedacht Josef.
Vlakbij Josef en Judit graasden een paar schapen en een geit. Ook de dieren hadden het nu goed. Ze blaatten niet, ze loeiden niet. Ze hadden alles, wat ze maar nodig hadden.
Bij de waterbronnen van Elim zaten de mannen vrolijk wat te praten. Nu hadden ze niets te mopperen. De reis naar het Beloofde Land leek nu opeens niet meer zo moeilijk. Ze zouden er best komen. En dan kregen ze alles, wat ze zich maar wensen konden.
Moses zat wat achteraf, in de schaduw van een palmboom. Hij keek naar de joodse mannen. Maar zijn gezicht stond vol zorg.
Nu waren de Joden tevreden, dat was waar. Maar hoe zou het zijn, als ze weer verder trokken? Er zouden nog moeilijke tijden komen. Zouden ze dan ook nog zo blij kunnen praten over het Beloofde Land?
Als ze maar genoeg op God vertrouwden, dan zou het wel gaan.
Maar natuurlijk zouden ze weer gaan mopperen. Ze zouden de moed verliezen. En die moed hadden ze juist zo nodig op die verre reis.
Toen kwamen er twee kinderen op Moses toegesprongen. Het waren Josef en Judit.
“Moses, is het Beloofde Land nog ver? “ vroeg Josef.
“Ik vrees van wel,” antwoordde Moses.
“Maar we zullen er toch zeker wel komen?“ wilde Judit weten. En Moses zei: “Met Gods hulp zal ons dat zeker lukken. We moeten op God vertrouwen. Ook als het moeilijk is. En niet meteen bang worden.”
“Ik ben niet bang,” riep Josef dapper. “God is bij ons.”
“Dan ben ik ook niet bang!” zei Miriam.
“Dan ben ik ook niet bang!” zei Judit.
Toen Moses dàt hoorde, lachte hij.
“Als alle mensen zo zouden praten, zou onze reis veel gemakkelijker gaan,” zei hij. “Zullen jullie niet vergeten, wat ik tegen jullie gezegd heb?”
“Nee Moses,” riepen Josef en Judit.
En terwijl ze weghuppelden om te gaan spelen met de schapen en de geit, riepen ze nog: “God is bij ons. Wij zijn niet bang. God zal ons helpen!”
Moses keek ze na. En even was hij de zorg om het joodse volk vergeten.
Toen de Joden bij Elim een poos hadden uitgerust, moesten ze weer verder trekken. Nu ging de reis door de woestijn van Sin.
In het begin ging alles goed. Ze hadden wat eten meegenomen voor onderweg. En water om te drinken was er volop, want ze hadden al hun kruiken gevuld. Wèl dachten ze nog spijtig aan de mooie, groene palmbomen, waaronder ze zo heerlijk in de schaduw hadden gezeten. In de woestijn was nergens schaduw. Zo ver als ze kijken konden, was er geen stukje groen te zien. Er waren alleen maar rotsen en zon en zand.
Josef en Judit hadden weer een ander spelletje verzonnen. Ze keken omhoog, naar de blauwe lucht. En ze telden de vogels, die daar vlogen.
“Achter die blauwe lucht is de hemel,” zei Judit opeens. “En in de hemel is God.”
Josef knikte en hij dacht er over na, hoe God vanuit de hemel op hen neer zou zien.
Maar terwijl ze zo omhoog liepen te kijken, zagen ze niet dat er een scherpe steen omhoog stak op hun weg.
“Au!” schreeuwde Josef, want zijn voet had de harde punt geraakt.
“O, het bloedt,” riep Judit verschrikt. “Doet het erg pijn Josef? Als je nu nog maar lopen kunt!”
Josef beet op zijn lip. Zijn voet deed heel erg zeer.
“Moeder, moeder,” riep Judit, terwijl ze angstig naar moeder Sara zocht. “Kom eens gauw naar Jozef. Hij heeft zijn voet gestoten aan een rots. Er komt bloed uit.”
Josef was op de grond gaan zitten. Hij keek naar de mensen die langs hem trokken. Stel je voor dat hij nu moest achterblijven. Dat hij niet met de anderen mee kon reizen naar het Beloofde Land.
Maar moeder Sara was in een paar tellen bij hem. Ze goot schoon water over zijn voet en legde er kruiden op, waarmee ze in die tijd wonden konden genezen.
Toen verbond ze Josefs voet met een schone doek.
Hinkend aan moeder arm stapte Josef even later weer mee. Het lopen deed wél pijn.
“Steun ook maar op mij,” zei Judit bezorgd. En zo gingen ze vreder op hun verre reis naar het Beloofde Land.
De voet van Josef was gauw weer genezen. Maar er kwam al dadelijk iets anders voor in de plaats. Een andere zorg: de Joden kregen honger.
Van het eten, dat ze hadden meegenomen, was bijna niets meer over. Ze durfden nog maar heel kleine beetjes ervan te nemen, want ze dachten: straks is alles op en dan gaan we allemaal nog dood van de honger.
Toen begonnen de Joden weer te mopperen.
Waren we maar in Egypte gebleven, zeiden ze tegen Moses. Daar moesten we wel hard werken en we kregen wel dikwijls straf, maar eten hadden we genoeg. Ook Josef en Judit liepen met lege maagjes te geeuwen van de honger.
“Zou God ons niet meer helpen?” vroeg Judit wel honderd maal op een dag aan moeder Sara.
“Natuurlijk!” riep Josef dan. “Je hebt toch gehoord, wat Moses tegen ons gezegd heeft. We moeten op God vertrouwen.”
“Maar dat kan ik niet zo erg goed, als ik zo’n honger heb,” zei Judit. “En ik word telkens zo moe.”
Moeder Sara keek haar bezorgd aan. Kinderen, die niet genoeg te eten krijgen, zijn al gauw niet sterk meer. Zij worden te zwak om zo’n verre reis te maken. Moeder Sara probeerde haar te troosten. “Wie weet, krijgen we heel gauw weer eten genoeg.”
“Maar er groeit nergens eten in de woestijn,” zei Judit.
En daar wisten Josef en moeder Sara ook niet op te zeggen. Het was waar. In de woestijn was niet te vinden, dat ze op konden eten.
Achter hen liepen een paar mannen. Ze waren boos en ontevreden. Het is de schuld van Moses, zeiden ze. Waren we maar nooit aan deze reis begonnen.
Judit begon stilletjes te huilen.
God leek haar opeens zover weg.
De reis was zo lang. En de honger zo groot.
En hoe zou God hun eten kunnen geven, in een woestijn, waar niets kon groeien?
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #4 on: 09 August, 2009,; 10:35 »

Toen zei God tegen Moses: Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen. En het joodse volk zal iedere dag op kunnen rapen wat het nodig heeft.
De Joden stond intussen nog morrend bij elkaar. We zullen allemaal doodgaan, hier in de woestijn, zeiden ze. Waarom heeft Moses ons hier heen gebracht?
En Judit, die het hoorde, kroop angstig tegen haar broertje aan, alsof die haar helpen kon.
“Het is niet waar hoor.” Fluisterde Josef in haar oor. “We gaan naar het land, dat God ons beloofd heeft. Daarom zal God ons niet in de steek laten. Kijk eens Judit, daar is Moses. Hij gaat wat tegen ons zeggen.”
Daar stond Moses nu.
Zag hij wel hoe moe en hongerig ze er allemaal uitzagen? Ja, nu zal hij zelf ook wel spijt hebben, dat hij ons uit Egypte heeft weggevoerd, dachten de mannen.
Maar Moses zei: “God was het, die jullie uit Egypte wegvoerde. En morgen zullen jullie kunnen zien, hoe groot God is. Jullie zijn ontevreden geweest en jullie mopperden tegen God, Maar tóch heeft Hij jullie willen helpen. Morgen zal er volop brood zijn. En dit brood komt van God.
Toen de Joden dit hoorden, wisten ze niet wat ze zeggen moesten. Weer schaamden ze zich. En ’s avonds gingen ze vroeg naar bed. Nieuwsgierig als ze waren naar de dag van morgen.
Moeder Sara dekte Josef en Judit die avond weer lachend toe. Morgen zou er brood zijn. Het brood dat God hun geven zou en waardoor ze sterk genoeg zouden worden om verder te reizen naar het Beloofd Land.
En de volgende morgen lag er over de grond van de woestijn een dunne laag van sneeuwwitte korreltjes.
De Joden, die uit hun tenten kwamen, keken er eerst verbaasd naar en zeiden tegen elkaar: wat is dat?
Maar Moses zei: “Dit is het brood, dat God jullie te eten geeft. Raapt maar zoveel jullie nodig hebben!”
Toen begonnen de Joden te rapen.
Josef en Judit en alle andere kinderen het eerst. Juichend verzamelden ze het brood, dat uit de hemel was gekomen in manden en schalen.
Judit raapte met haar kleine handjes al wat ze kon.
Telkens sprongen de korreltjes tussen haar vingers uit.
Maar Josef en de groteren wisten de korrels met volle handen op te rapen. Ze hadden er geen moeite mee, zoals bijvoorbeeld de oude joodse mannen en vrouwen, die niet zo vlug meer uit de weg konden. En die wat moeite hadden met bukken.
Maar toch, toen ze later gingen kijken, hoe ieder verzameld had, zagen ze, dat ze allemaal evenveel hadden opgeraapt.
De een had niet te veel.
De ander had niet te weinig.
Ze hadden allemaal precies wat ze nodig hadden.
Moeder Sara en de andere vrouwen, gingen dadelijk aan het werk, om van de witte korreltjes broden te bakken. Josef en Judit kwamen er met hun neusjes vooraan bij staan. Ze zagen hoe moeder Sara de korreltjes met haar handen kneedde, totdat ze de vorm kregen van een brood.
“Kunnen we het nu eten?” vroeg Judit ongeduldig.
Maar nee, het moest eerst nog gebakken worden.
“Zou het lekker zijn?” wilde Judit weten.
“Als het maar helpt voor de honger,” zei Josef. En hij streek over zijn lege, knorrende maag.
“Maar het is vast heel lekker,” zei Judit weer. “Het komt uit de hemel. En iets dat uit de hemel komt, moet wel lekker smaken.”
Jij krijgt het eerste stuk, beloofde moeder Sara lachend. En zo wachtten ze tot het brood gebakken was. Eindelijk stopte Judit het eerste stukje van het brood in haar mondje.
“Honingkoek!” riep ze, “het smaakt naar honingkoek!”
Ook Josef proefde van het brood.
En moeder Sara.
Nog nooit hadden ze zo’n heerlijk brood gegeten.
Brood met de smaak van honingkoek!
Toen de honger over was, had moeder nog brood genoeg voor het avondeten. En morgen zouden er weer nieuwe korrels liggen. Nieuwe sneeuwwitte korreltjes, die uit de hemel waren gevallen, en die ze op konden rapen om er broden van te bakken.
Weer keken Josef en Judit omhoog, naar de blauwe lucht.
Daar achter was de hemel.
En in de hemel was God, die hun opnieuw te hulp was gekomen op hun verre reis.
Met het brood uit de hemel zouden ze sterk zijn. Ze zouden er kracht door krijgen om verder te gaan.
Steeds verder naar het Beloofde Land.
Samen met moeder Sara dankten ze God. En vol goede moed trokken ze toen met het joodse volk weer door de dorre woestijn, waarin geen eten groeien kon.
Nog heel veel lange jaren duurde de reis, die Josef en Judit maken moesten. En al die tijd aten zij het brood dat uit de hemel kwam en dat door de Joden “Manna” werd genoemd.
Zonder dat brood zouden ze allen van honger gestorven zijn. Maar God wist wat zijn volk nodig had. Hij wilde ze niet zonder voedsel laten. Hij wilde dat ze gelukkig zouden zijn in het Land dat hij voor hen had uitgezocht.
Josef en Judit begrepen dat. Daarom bleven ze op God vertrouwen ook al was de reis soms erg zwaar. Ze keken naar de kuiltjes, die hun voeten maakten in het zand. Of ze telden de vogels in de blauwe lucht. Ze speelden hun spelletjes, die ze zelf hadden uitgedacht.
En God zag op hen neer, omdat ze Zijn kinderen waren.
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #5 on: 09 August, 2009,; 10:48 »

De verre reis

Ons leven is net zoiets als een verre reis.
Zoiets als de reis van het joodse volk naar het Beloofde Land. En zoals je in dit verhaal hebt kunnen lezen:
Een gemakkelijke reis was dat niet.
Ook aan ons heeft God een land beloofd. Niet een land hier op aarde. Maar een land voor later, als we gestorven zijn: de hemel. Om in de hemel te komen, moeten we eerst een poosje door het leven reizen. Nu denk je misschien: de reis door ons leven is heel wat gezelliger dan die van Josef en Judit door de woestijn.
Jij hoeft geen honger te lijden. Gelukkig maar!
Jij hoeft geen dorst te lijden. Alwéér gelukig maar!
Jij hoeft ook geen lange jaren door een dorre, kale woestijn te trekken.
Inplaats daarvan ga jij naar school.
En je gaat spelen. En kijken naar de televisie als het woensdag en zaterdag is.
Dat is allemaal heel plezierig. Maar jullie staan pas aan het begin van je lange reis. Op de reis van ons leven kan het ook heel moeilijk worden. Zó moeilijk dat je zou gaan denken: het gaat helemaal mis. Zo komen we nooit in het land dat God ons beloofd heeft.
Was de reis van ons leven maar nooit begonnen!
Mensen die zó denken, zijn er wel erg verdrietig aan toe. Ze vertrouwen niet op God. En toch is God bij de mensen. Hij wil niet dat het fout gaat met hun reis. Hij wil dat ze gelukkig zullen worden in de hemel, die Hij voor hen heeft klaargemaakt. De reis is soms wel moeilijk. Maar God is zó machtig! In de woestijn, waar nergens eten groeien kon, liet Hij het brood regenen.
Wat doet God dan wel voor ons? Hoe komt God óns te hulp?
God had beloofd, dat de Verlosser van alle mensen bij het joodse volk geboren zou worden. En zo gebeurde het ook. Jesus kwam op de aarde. Hij leefde bij de mensen en koos zijn twaalf apostelen uit.
Hij leerde de mensen hoe ze heilige moesten leven voor God. Hij deed wonderen, waardoor de mensen gemakkelijker in Hem konden geloven.
En op het eind van zijn leven, deed Jesus nog het allermooiste,
Hij gaf ons Brood, dat zijn Lichaam was.
Brood uit de hemel, waardoor de mensen sterk zouden worden op hun verre reis naar het Beloofde Land.
Iedere dag kunnen de mensen dat Brood uit de hemel gaan eten, als ze meedoen met het Offer van de heilige Mis. Dat Brood is het voedsel voor ons leven met God.
Zonder dat Brood zijn we niet sterk genoeg, om de reis naar de hemel te maken. Maar mét dat Brood kunnen we de reis wel aan.
Als we het Lichaam van Jesus ontvangen hebben, is Jesus heel bijzonder bij ons. Jesus is helemaal in ons, zodat we niet meer alleen zijn op onze reis.
Nu je je eerste Communie heft gedaan, heb je dus het Brood uit de hemel al gegeten. Jesus is in jou en jij mag met Jesus zijn.
Laat Jesus vooraan in je komen, zo dikwijls je maar kunt. Samen met Jesus zul je reizen zoals Hij dat wil.
Ga vrolijk naar school.
En speel met plezier je spelletjes.
Kijk, als je de kans krijgt, op woensdag en zaterdag maar fijn naar de televisie.
Vertrouw op God, die in de hemel voor jou een plaats heeft klaargemaakt.
Dan wens ik je van harte een goede, verre reis!
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #6 on: 09 August, 2009,; 10:49 »




….. THE END…..


…..van dit verhaal van Lea Smulders…..
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #7 on: 09 August, 2009,; 10:50 »

Gegevens

Titel van het boek:  DE VERRE REIS van Josef en Judit

Auteur: Lea Smulders

Tweede druk

Uitgeverij: Cantecleer De Bilt

Band en tekeningen van Coby C.M. Krouwel

Imprimatur: G.J. v.d. Meer a.h.d.
Utrecht, 28 Ianuarii 1961


Logged

Niet meer actief op het forum.
Pages: [1]   Go Up
  Print  
 
Jump to:  


Powered by SMF 1.1.13 | SMF © 2006-2011, Simple Machines LLC  •  Endless Mc by: © 2009, Crip