Pages: [1] 2 3   Go Down
  Print  
Author Topic: Uit SR's boekenkast: Duizend jongens en een man  (Read 3025 times)
0 Members and 1 Guest are viewing this topic.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« on: 09 August, 2009,; 13:02 »

In m'n boekenkast staan allerlei boeken en boekjes
die ik – boekenwurm – in de loop der jaren heb
verzameld. Het liefst zou ik alle boeken van de
wereld willen hebben en lezen.

Eén van deze boeken, die oorspronkelijk van
mijn moeder was,  vertelt een spannend verhaal
over Don Bosco. 

Het verhaal wordt verteld door de schrijver Jan Klein



Ik ga het nu aan jullie doorvertellen ...


..…veel plezier…..

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #1 on: 09 August, 2009,; 13:02 »

Voorwoord

Jongensbenden met romantische namen als Il Palone, Vanchiglia, l’Opera, terroriseren de buitenwijken van Turijn in de veertiger jaren van de vorige eeuw. Ze jagen de politie op de vlucht en zijn onderling gewikkeld in een strijd op leven en dood. Felice Vireglio, de capo van de Operaclub, weigert minachtend de hand die een ander bendehoofd, de geduchte Michele Trivero, hem toesteekt.
En dan ontdekt Felice de gevaarlijkste concurrent voor alle jongensbenden: een Man, Don Bosco. Hij zal diens terrein verkennen. Met kloppend hart klimt hij in een oude moerbeiboom…. en valt in het hol van de leeuw. Een spannend relaas van jongenssmart en jongenstrouw, van moordlust en onsterfelijke liefde, rond de wereldbefaamde gestalte van Don Bosco, “Sirene en Roverhoofdman” van de Turijnse jeugd.
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #2 on: 09 August, 2009,; 13:03 »

Gegevens van het boek




De romantische jaren van Don Bosco
(1847 – 1949)

Duizend jongens en een man

door Jan Klein

Uitgeverij Foreholte – Voorhout


Imprimi potest
Ugchelen, die 28 Maii 1953
HANNIBAL BORTOLUZZI, Superior Provincialis

Imprimatur et evulgetur
L. VAN DE GRIENDT, censor
Sassenheim. 5 juni 1953
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #3 on: 09 August, 2009,; 13:05 »

 
INHOUD


Wie in hoofdzaak meedoen


DEEL I (1847)

Hoofdstuk I. Waarom Michele zijn cigarillo op zijn hak dooft en of het geloof een hoofdzonde is

Hoofdstuk II. Kennismaking met andere persoonlijkheden, onder wie een drinkende drukker en de Aapkerel

Hoofdstuk III. Waarin zowel Don Bosco als Felice een speurtocht ondernemen

Hoofdstuk IV. Of er in de kerk gepandoerd mag worden, en hoe Don Bosco loopt, wanneer er stenen vallen

Hoofdstuk V. Hoe men voorts de Zondag heiligt met spel en gesprek


DEEL II (1848)

Hoofdstuk I. Hoe ingewikkeld de politiek is, een jaar na het eerste deel

Hoofdstuk II. Don Bosco speelt voor vrederechter en houdt een hagepreek met daarop aansluitend godsgericht

Hoofdstuk III. Schermutselingen vooraf

Hoofdstuk IV. Hoe de vader van Felice jacht op hem maakt met een bijl

Hoofdstuk V. Don Bosco werpt zich in het gevecht en wordt door Felice gebeten

Hoofdstuk VI. Don Bosco wordt in de steek gelaten en hoe verblind een nationalist kan zijn, tot in de moestuin toe

Hoofdstuk VII. Guerilla

Hoofdstuk VIII. Don Bosco deelt rake klappen uit

DEEL III (1849)

Hoofdstuk I. Aanloop voor een Zondagmiddag en waarom de Alpenjager naar Vanchiglia gaat

Hoofdstuk II. Verkenning in Vanchiglia en hoe de helden elkaar toespreken

Hoofdstuk III. Incident in het Vanchiglia-oratorium en hoe de Alpenjager verzamelen blaast voor de strijd

Hoofdstuk IV. Felice als estafette en hoe een hand uit de heg komt

Laatste Hoofdstuk. Hoe het afloopt met het gevecht, maar ook met Simeone en met Michele

Nawoord
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #4 on: 09 August, 2009,; 13:06 »

Wie in hoofdzaak meedoen:

Don Bosco, de H. Joannes Bosco (1815-1888), de grootste opvoeder van de Negentiende Eeuw, en een vriend van alle jongens, athleet en wonderdoener, schrijver en kerkenbouwer, stichter van de Salesianen en de Dochters van Maria Hulp der Christenen, zoon van

Moeder Margriet, die een leven in de intimiteit der familiekring er aan gaf om Moeder te worden van de jongens die haar zoon van de straat oppakte.

Felice Vireglio, hoofd van de Opera-club en door moeder en vader verwaarloosd.

Michele Trivero, hoofd van de cocca, d.i. jongensbende van Valdocco, een gevaarlijke fat.

Lo Scimmione, bijnaam van Simeone, hoofd van de cocca van Vanchiglia. Zijn bijnaam betekent Grote Aap, en is zeer goed gekozen.

Lo Zoppone, Hoofd van de cocca van de Pallone. Zijn bijnaam betekent de Manke.

Nando Pellitteri, schoonvegertje, lid van de Opera-club.

Cesare Milvio, lid van de Operaclub.

Giacu Botta, adjudant van Michele in de cocca Valdocco. Niet een van de snuggersten.

Gigi Re, vice-capo van de cocca van Valdocco, even venijnig als hij klein is.

Don Parcano, priester die Don Bosco ’s Zondags komt helpen.

Giuseppe Buzzetti, metselaarsjongen, woont in het Oratorium en helpt Don Bosco als jeugdleider.

Brosio, een versagliere, d.i. een alpenjager of scherpschutter. Jeugdleider in het Oratorium.

Het verhaal begint in 1847, het tweede deel speelt een jaar laterm in 1848, en het derde deel weer een jaar later, in 1849 dus. Alle feiten zijn gedocumenteerd, al worden soms de namen der betrokkenen verwisseld of veranderd of uitgevonden.

 
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #5 on: 09 August, 2009,; 14:33 »

EERSTE DEEL (1847)


HOOFDSTUK I

Waarom Michele zijn cigarillo op zijn hak dooft
en of het geloof een hoofdzonde is.


“DAN kun je verrekken,” zegt Michele. Hij neemt de grauwe cigarillo van zijn al te dunne lippen en bezwaddert de zomeravond met een wolk van stank. Eerbiedig kijken de andere jongens toe, maar Felice niet. Felice heeft al zijn aandacht nodig voor het knappe gezicht van Michele Trivero, dat onrustige masker, van penseelwenkbrauwen, romeinse neuspunt, schichtige blik, onder het afdak van zwart sluik haar. Felice zegt: ‘Dit is mijn cocca, mijn club! Ik zal je wel waarschuwen als ik zin heb om te verrekken.” Felice gaat staan. Ook zijn gezicht is bleek, maar van ingehoudenheid; en knap, maar van regelmatigheid en rust. Zijn lichtblond hoofd steekt vreemd uit tegen de zuiders donkere avondhemel. De andere jongens staan niet op, maar verstrakken in hun houdingen. Ze liggen, duisterder dan Felice, loerend, in de grintkuil. Uitgeholde wanden. Struiken hoog om de rand. Michele knippert met zijn indianenogen, misschien tegen de zon op het haar van Felice, glanzend als een splinternieuw rietdak. Wat hij verder te zeggen heeft spelt Felice bijna: “Als ik zin heb om te verrekken, weet ik waar ik terecht kan: bij jouw Valdocco-club, de beroemde cocca van Valdocco! Wij moeten geen vuil spel.”
Michele vliegt omhoog als een losschietende veer, en net als poppetjes uit een klok volgen de andere vijf. Ze hebben geen ogen meer voor de cigarillo. Beschermend schuiven ze dichter bij Felice, hun capo. Flikkerend gaan Michele’s ogen om zich heen. Zijn zelfbeheersing is opmerkelijk. Hij dooft de cigarillo op zijn rechterhak, terwijl hij er met ijver naar kijkt. Als hij het hoofd opheft, heeft hij zijn glimlach weer terug. Al zijn mooie tanden zijn te zien. Hij zegt, schouderophalend: “Ik bedoelde niets kwaads…… Wij bedoelen niet kwaads……” Felice zegt bijtend: ‘Niets dan kwaads, bedoel je!” Michele zegt, onzeker: “Zeg Felice, hoe kom je er bij!! Ha ha ha! Vooruit, ga er weer bij zitten.” Hij gaat zelf zitten. Niemand volgt zijn voorbeeld. Onvoordelig tegen zijn gastheren opkijkend en gedwongen – niemand anders doet zijn mond open, - zegt Michele, en hij bergt onderwijl zijn cigarillo groots in een stuk van de Gazetta del Popolo: “Felice blijft natuurlijk de capo van jullie Opera-club, wanneer je je bij ons aansluit. Rare naam overigens.…..” Dat zegt hij gewild goedmoedig, maar fout. Felice bitst terug: “Het is onze eigen naam. We hebben jou toch niet als peetoom gevraagd? Of soms wel?” Cesare zegt: “Die vent is zelf niet eens gedoopt, wed ik.” Michele doet maar of hij gek is; hij tapt uit een ander vaatje: “Ga toch weer zitten, kerels…… Gezellige boel zo! Ga toch zitten!” Felice zegt: “Wij zijn altijd gezellig voor ongenode gasten.” Michele kruist herderlijk zijn benen onder zich: “Laat mij nou even aan het woord…… Jullie kunt het alleen niet bolwerken. Als een van de cocca’s van Vanchiglia hier heen komt, word je ingemaakt…… Afgemaakt is het woord. Ik wil je overigens niet beledigen……” Felice zegt: “Kun je niet. Als we afgemaakt worden, zijn we er zelf bij. Nou voor het laatst: ik ben hier de baas! De Opera-club doet niet mee met jouw cocca. En als iemand van jullie……” – Fé kijkt de anderen aan – “……tóch mee wil doen, dan moet ie dat meteen zeggen. En hem smeren! Mij niet meer onder ogen komen, asjeblieft!”
Michele is maar gaan staan. Hij klopt zijn kleren af, al loont het amper de moeite. Hij zegt: “Wat een heilig boontje! Operazanger en pilarenbijter van beroep!” Felice zegt: “Pilarenbijter, hè? Heb jij je eerste Communie gedaan?” Michele zegt:” Jawel, en het was meteen mijn laatste. Je bent toch niet bezig mij te bekeren, hoop ik? De Hoofdman van de Cocca di Valdocco op zijn knieën voor een kraai! Ik zie me al zitten! Morgen! Of overmorgen misschien! Ha ha!” Felice smaalt, hard en kil: “Laat me uitpraten, fat. Als jij je eerste communie gedaan hebt, ben je een erger pilarenbijter dan ik. Want ik mocht mijn eerste communie niet eens doen, omdat ik mijn catechismus niet wou leren. De kraaien kunnen me gestolen worden. Maar vloeken doen we hier nier. En we zijn fatsoenlijk. Dat is meer dan jij van jouw cocca kunt zeggen. We hebben er ook volstrekt geen behoefte aan mekaar blauw te beuken. Ik wil met jullie bendenoorlog niets, maar dan ook niets te maken hebben. Knoop dat goed in je varkensoren. En ruk in.”
Dat van die varkensoren is maar een spel van de verbeelding: Michele heeft kleine, goedgevormde oorschelpen. Michele ziet echter een muur van zes bakstenen gezichten en door een speling van het noodlot heeft hij het niet nodig geacht hulp mee te nemen. Nu komt Felice op hem af. Felice is een kop kleiner en zeker twee jaar jonger dan Michele, maar Michele heeft de laatste twee nachten uitgefuifd en hij kent de spelregels van de Operaclub onvoldoende. Stel, dat ze zich met zessen tegelijk op ongewenste vreemdelingen mogen gooien! Michele zegt: ‘Ho, ho! Ik ga al. Je praat wartaal. Je neemt een geweldig risico, maar ik vergeef je! Ik zal je niet laten afranselen. En mijn aanbod blijft open voor allemaal. Als er een van jullie jongens op zijn eentje bij ons wil komen……” Hij draait zich snel om. Felice is hem te dicht genaderd. Michele werkt zich met zijn handen alleen over de rand. In de kuil wordt het stil van eerbied voor dat staaltje. Hij voelt in zijn borstzak naar zijn cigarillo en wendt zich bestudeerd langzaam weer naar de kuil. Beneden hem is het stil, maar dreigend. Aandachtig beziet hij het groepje. Hij zou ze best kunnen gebruiken, in de oorlog tegen de bende van Vanchiglia. Hij moet ze maar beter niet onherroepelijk van zich vervreemden. Het leven van Capo di cocca, van bendehoofdman heeft zo zijn verantwoordelijkheden. Hij wuift zwierig en roept, nog steeds in zijn rol van goedmoedige superioriteit: “Cereja!”
Dan loopt hij heen door de woeste velden langs de rivier de Dora.
Buiten gehoorsafstand gromt Michele als een dwarsgedreven beer. Hij bezigt zeer onparlementaire uitdrukkingen, terwijl hij terugdenkt aan Felice en vooruitdenkt aan de onberekenbaar gevaarlijke Simeone, de capo van de Vanchiglia-bende. Iedereen noemt hem lo Scimmione, de Aapkerel, aanvoerder van de meest geduchte jongensbende uit heel Turijn. De oorlog is verklaard tussen Vanchiglia en Valdocco. Michele moet vechten. Maar zijn cocca is uitgedund en dan slik je allicht gal en alsem, wanneer je de kans meent te zien om manschappen te werven. Zijn gal loopt Michele weer uit te spugen onder de wilgenbosjes aan de oever van de Dora.
In de kuil blijft de dreigende stilte hangen. Tot Felice glimlacht, en dan schatert Nando opgelucht. Hij zegt: “Hebben we die effies de pin op zijn neus gedouwd!? “ Nando lacht met heel zijn bleke, gore gezichtje. Hij trekt zijn twee broekspijpen, bijna los verkrijgbaar, strakker om het middel en fronst ongeduldig tegen Cesare.  Want Cesare zegt uit de hoogte: “Je bedoelt, dat Felice hem de pin op zijn neus heeft gezet. Zeg Felice, dat was toch gevaarlijk werk van je.” Nando zegt: “Nou! En dat weet hij beter dan jij, jongeheer…… Maar Felice! Ik wist niet dat je je eerste communie niet had gedaan. Hoe oud ben je eigenlijk?” Felice kijkt het schoorsteenvegertje Nando aan met een warme, dankbare blik. Nando geeft Felice alles wat Felice thuis mist: een gevoel van meetellen, want Nando is de volgeling-door-dik-en-dun. Nando bewondert Felice en Felice houdt van Nando, misschien ook omdat het joch de zwakste is van het stel. Nando krijgt thuis nòg meer slaag en nòg minder te eten dan Felice, die overigens zólang met dat bijltje heeft gehakt, dat hij er niet meer om geeft. Felice antwoordt: “Ik geloof zestien, Nando, maar ze hebben het me nooit verteld.” Cesare zegt, met grote ogen: “En wil je dan nog niet je eerste communie doen?” Felice gaat opstuiven, maar krijgt opeens weer dat weeë gevoel in zijn maag. Net honger, maar erger. Altijd wanneer ze over de eerste communie praten of over God of over de catechismus, hetgeen gelukkig niet vaak gebeurt…… Wel verdorie! Wel ver……! Wel ver……! Felice wil die holte in zich eens en voor goed kwijt. Dat moet maar eens uit zijn met God. Hij gaat, met een harde, zenuwachtige lach, voor Cesare staan. Felice zegt: “Wil je precies weten hoe het gegaan is? Nou, dan zal ik voor pastoor Ponzati spelen, en jij bent mij.” Cesare zegt: “Maar wat moet ik dan zeggen?” Felice zegt: “Dat merk je vanzelf wel.”
Vol glunderende spanning is het hele troepje nog dichterbij gedrongen. Je kunt de gezichten niet goed meer zien, zo avondt het in de grintkuil. Felice dreunt, met een zwaar neushoorngeluid: “Zo, zo! Dus jij bent Vireglio! Felice Vireglio! Zoon van ……hum! Hum! Hè? Hm?! Kan jij mij geen antwoord geven?” Cesare zegt. Quasi met een bibber: “J…… jawel, m’neer p’stoor!” Felice zegt gestrengelijk: “Zo, zo, van die Vireglio uit het Leerlooierssteegje, de Via dei Pelliciai, hè? En jij wou je eerste communie doen? Wat weet jij van je catechismus af, hè? Cesare zegt: “Niet veel, m’neer p’stoor!” Het vijftal geniet van de parodie waar zijn niet veel kwaad in zien Maar Felice is in gevecht met zijn geweten. Daarom juist trekt hij zijn gezicht in de belachelijkste ploot van toorn en zegt: “Nou, nou! Jij bent een brutaaltje, hoor! Dacht je, dat ik je vader niet kende? En je moeder!” Felice heft kwasi in wanhoop zijn handen ten hemel, in zijn rol van pastoor. Maar in zijn jongenshart kan hij opeens wel huilen, nu hem alles weer te binnen schiet. Met een blik als een dolksteek en scherp uitgestoken vinger zegt hij echter, als een zachte ontploffing: “Noem mij de zeven hoofdzonden!” Cesare zegt: “De zeven hoofdzonden zijn er vier, geloof, hoop en liefde, m’neer p’stoor.” Het is een verzuurde mop. Felice wil uit zijn rol vallen om te protesteren, maar de bende schatert onbedaarlijk. Felice besluit tot het bittere einde: “Ik zal jou de liefde! Dat wil zijn eerste communie doen! Ga onder mijn ogen vandaag en waag het niet terug te komen, voordat je je hele godganselijke catechismus stráál van buiten kent!”
Felice kijkt in de lachende ogen van Nando die kraait van de pret.
En opeens gaat zijn hart door de mangel. Het is de eerste keer, dat hij dit vertelt. Hij praatte er niet graag over omdat het zo’n pijn deed. Nu heeft hij er mee gespot om de pijn kwijt te raken. Hij heeft een priester nageaapt. En de kleine, heldere Nando lacht er om. Felice heeft een vieze smaak van zichzelf in de mond. Hij spuwt. Het ergert hem dat de anderen lachen. Hij moet hun maar alles vertellen. Hij zegt: “Niks leuks aan…… Het was mijn schuld niet…… Het was de schuld, weet je van wie?” Felice krijgt het heet om zijn oogranden. Hij zegt bitter: “Van die vader van me…… Van die mooie vader van me…… Die had de catechismus onder mijn handen vandaan getrokken en in de kachel gesmeten…… Daar is niks om te lachen!” Felice wil plotseling alleen zijn: “En ga nou maar weg…… Nee, we zingen niets meer. Vooruit!…… Ga toch weg!”
Bedremmeld klimt het groepje uit de kuil. Maar niet voor niets heten ze de Opera-club. Niet voor niets is Felice hun hoofdman. Tenslotte krijgt Cesare toch zijn zin, en hij mag het koor inzetten van de Kruisvaarders uit Verdi’s Nabucco. Va, pensiero, sull’ali dorate…… Ga, herdenken, op guldene vleugels…… In de vallende avond slenteren ze met zijn zessen door de prairie, langs de brede Dora, waar de maan al in ribbels op wiebelt. Ze zingen het grote lied van heimwee naar thuis: Felice zingt de solo’s en een eenzame landloper legt de hand aan zijn oren: “Hoe komt het dat zijn eigen hart zich daar kapot zingt aan de andere kant van de rivier?
Bij de Via del Ponte neemt Felice afscheid. Met tegenzin: hij denkt aan zijn thuis. ……Tot de volgende week! Allemaal in de kuil! En wee, o wee wie overloopt!

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #6 on: 09 August, 2009,; 15:50 »

HOOFDSTUK II


Kennismaking met andere persoonlijkheden,
onder wie een drinkende drukker en de Aapkerel



In het boek ontbreken hier twee bladzijden….
…daarna gaat het verder met:

Nando,” en “Ciao, Felice!” Nando fleurt op. Hij weet nog niet eens dat hij de hongerige blik van Felice heeft bemerkt, als hij hem het brood al voorhoudt. Met tranen in zijn ogen van spijt weigert Felice, en als een andere jongen had aangehouden, had hij hem blauw geslagen. Maar Nando mag wel aanhouden. Nando mag tenslotte zelfs de helft van zijn pagnotta geven. Keuvelend en kauwend bereiken ze Via di Po. Daar staat Michele.
Michele staat blijkbaar op de uitkijk, schijnbaar achteloos. Hij heeft zijn cigarillo-met-strootje weer uit een mondhoek klepelen. Hij maakt zich los van de muur en gaat voor het tweetal staan. Michele zegt: “Wat heb je daar?” Felice zegt: “Gaat je niet aan!” Felice heeft geen steun van kameraden en van een volle maag nodig: zijn moed zit geheel in zijn borst. Michele legt de hand op hem en begint te schudden. Over de Piazza komt in volle ren een jongen. Hij wuift naar Michele. Michele laat Felice los, en zegt: “Ik heb nou geen tijd, maar we spreken mekaar nader.” De jongen fluisterroept: “Ze zijn er!” “Kom mee, Nando,” zegt Felice. Dat wordt hier oorlog. De benden gaan vechten. Hij sleept snel de kleine Nando van het plein af.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Michele geeft orders: “In de dode steeg achter de Piazza Carignano ga je ze halen, Cecco. Ik blijf.” Cecco grijnst: ‘Schitterend, zeg! Fijn, zeg! Dat verwachten die knullen van Vanchiglia nooit, zeg!” Michele zegt bars: “Schiet liever op!” Ceccp snijdt de hoek van het plein afm en rent daar bijna een priester omver. Wie was dat? Hij hoort hem roepen. O, dat was Don Bosco. Geen tijd voor. Hij haalt de kornuiten en nu maken ze een omweg door Via Carlo Alberto Ze stellen zich verdekt op aan de hoek van de straat. Even verder, op de hoek van het mateloze Piazza Castello, kunnen ze Michele zien staan, cigarillo-zuigend, nonchalant tegen een muur. Een gemompel van bewondering. Cecco wijst en zegt: “Ze komen van die kant langs het kasteel. Michele wacht ze alléén af. Zo gauw hij midden op de weg gaat staan….”Cecco zwaait zijn stok met smaak! De ganse bende is gewapend: hier en daar flikkert een mes. Iemand zegt: “O Clara! En ze zijn helemaal achter Valdocco geweest om ons op te zoeken!” Cecco zegt: “En nou ze teruggaan krijgen ze klop! O Clara! Kijk!….”Cecco ziet gespannen toe: Michele wordt aangesproken door een boom van een jongmens, meer haar dan gezicht. Cecco zegt, fluisterend: “Daar heb je lo Scimmione!” Lo Scimmione, het geduchte opperhoofd van de Vanchiglia-bende, heeft inderdaad iets van een aap. Hij slaat zonder verdere omslag de cigarillo uit Michele’s mond. Michele vliegt hem aan: De troep van Cecco komt in beweging en in een ogenblik is de zuiderhoek van de Piazza Castello een slagveld geworden.
Wel zeventig jongens vallen onder indianengeschrei op elkaar aan.
De priester, die juist de zuilengang heeft verlaten om het plein over te steken, zit er middenin. Zware stenen suizen hem om de oren.
Cecco bedenkt opeens: “O! Don Bosco!” En hij gilt het uit: “Niet gooien, niet gooien! Don Bosco loopt daar!” Dan roept Michele korzelig, hijgend: “Hé kraai, maak dat je wegkomt!” De stenenhagel mindert. Nieuwsgierig kijken de legers toe. Don Bosco is warempel blijven staan! Michele vraagt: “Alle duivels, wat moet die zwartrok?” Maar Cecco is op de priester toegelopen, en hij schreeuwt opgewonden: “Don Bosco! Uit de weg! Opzij! Ze gooien met stenen! U moet uit de weg! Gauw!”  Don Bosco verroert geen vin. Hij zegt goed hoorbaar, al glimlachend: “Ik ga niet opzij. De weg is van iedereen. Ik blijf lopen waar ik loop.” Michele zegt: “Die vergémese pastoor! Die (….) stijfkop! Dat zullen we zien! Hul Valdocco! Aanvallen!”
“Hup Valdocco!”
“Hup Vanchiglia!”
Michele gooit: rákelings langs Don Bosco’s hoofd! Prompt gaat Michele bijna knock out: Cecco heeft hem een onderkaakse toegediend en staat gereed voor de rest. Cecco zegt bits: “Ben je gek? Ken je Don Bosco niet?” Hij gilt: “Ophouden, ophouden! Dat is Don Bosco!”
De cocca van Valdocco neemt de kreet over, wis en waarachtig: “Don Bosco! Don Bosco!” Maar Michele is doodsbleek geworden. Prestige! Capo-schap! Hij treedt snel een pas terug en heeft een mes in de hand. Cecco betast zich, voelt een mes in de hand. Don Bosco staat tussen hen in: “Hola!…… Wat is dát nu! Messen?” Twee bankschroeven van handen liggen om de arm van de vechtersbazen. De priester herkent Cecco: “Cecco, jij! Gooi dat mes weg… En nu jij!”
Michele staat onvoordelig. De “kraai” heeft zijn rechterarm vast. Maar Cecco gooit het mes weg. Michele scheurt zich los…. meent hij. De hand knelt onmiddellijk toe. Zo hevig, dat hij een kort gebrul uitstoot. Het mes valt. Don Bosco zegt: “Och!…. Hoe heet je? En wat zijn jullie aan het doen? …. Cecco?”Cecco kijkt, beschaamd, naar de withete Michele. Michele geeft felle rukken, maar komt niet los. Wat een krachtpatser, die pastoor! Cecco zegt: “Laat me nu los, Don Bosco! Wij gingen een beetje……” Lo Scimmione treedt op. De Aapmens Scimmione vindt dat het lang genoeg geduurd heeft. Hij gromt: “Wij spelen hier. Is u soms de baas van het plein? Waarom maakt u niet dat u wegkomt?” Don Bosco zegt: “En wie hebben we daar? Jou ken ik niet, vriend, maar als je deze jongens vraagt, dan zullen ze je wel zeggen, wie ik ben!” En er gaan stemmen: “Ja, Don Bosco! Wie kent Don Bosco niet?” Dan zegt lo Scimmione: “Maar nou voor het laatst: wordt er nog gevochten, ja of nee?” En Don Bosco: “Natuurlijk niet! Wat een barbaars idee! Wie ben jij eigenlijk?”
Lo Scimmione zegt: “Hé jongens! Wie ik was, vraagt M’neer P’stoor!” Er wordt gelachen aan de Vanchiglia-kant, maar van twee partijen is het nu één dichte drom geworden om Don Bosco heen, die Michele nog steeds vast heeft. Stemmen: “Hoera voor Simeone! Leve de Capo van Vanchiglia!” Don Bosco glimlacht: “En wie is de capo aan de andere kant?” IJverig wordt er gewezen op Michele. “Hup Valdocco!” Maar Michele zwijgt. Michele zwijgt en blijft zwijgen, als Don Bosco de benden naar huis heeft gestuurd: als Don Bosco Cecco en Simeone en hemzelf uitnodigt op een glas wijn in de dichtstbije herberg: als Cecco hem bij de arm wil nemen en schertsend aandringt, dat het dit keer geen Miswijn is. Michele is nog steeds doodsbleek. Don Bosco laat hem los. Hij raapt zijn mes op, veegt het af, met een blik op Cecco, steekt het in zijn zak. Hij spuwt Don Bosco voor de voeten, en slentert weg. Don Bosco glimlacht nog steeds. Hij zegt: “Gaan jullie twee dan maar mee.”
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Maar Michele wordt afgewacht. Zwijgend werpen twee trawanten een blik op hun zwijgende kapitein. Zwijgend nemen ze Via Vasco.
Bij een gaslantaarn houdt Michele stil en vraagt: “Kennen jullie Don Bosco?” De grootste zegt: “Ja. Dat is een losse priester.” Michele zegt: “Hoezo: losse priester?” De jongen zegt: “Hij zit niet in een parochie. Hij heeft een huis in Valdocco, bij herberg Bellezza.” Michele smaalt: “Mooie buurt voor een zwartrok!” En Giacu Botta lacht, verplicht en verplichtend: “Zeg dat wel! Hij laat er iedereen spelen. Iedere Zondag zit het er vol jongens.” Michele zegt langzaam: “O dat! …… Meer van gehoord. Is dat niet waar Nino Vala heengegaan is? O is het die vogellijmer! Iedere Zondag, hé?” Michele mijmert. Hij zegt: “Iedere Zondag…… We zullen zien!”




 
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #7 on: 10 August, 2009,; 18:10 »

HOOFDSTUK III


Waarin zowel Don Bosco als Felice een speurtocht
ondernemen



ZONDAGMIDDAG. Loom om van te zweten. In de grintkuil aan de oevers van de Dora laadt een rivierbries telkens een vracht geur af: dennehout en warm scherp zand, thijm en marjolein, vers rivierwater en een vleug zoete klaver soms. Maar het zand heeft de grondtoon. Vijf jongens knipperogen als piesen in een plek zon. De takken kraken van de hitte en de struiken ritselen. Ritselen: tussen mooi getekende blaren sporkenhout zit daar opeens het gezicht van Felice, maar beneden in de kuil hebben ze niets gehoord. Felice fronst de wenkbrauwen en springt. Schrik, overeind krabbelen, maar als ze hun kapitein herkennen leggen ze zich met lui groeten terug op hun plekje. Felice zegt: “Waar is Cesare?” De troep is meteen attent, gespannen. Felice monstert ze met het oog van een generaal: een leger niet, maar een regiment zou hij wel in toom kunnen houden. Maso krabt zich achter het oor. Nando babbelt: “Hij is hier geweest, maar hij kon niet op je wachten. Hij moest weg. Zeg! Hij is uitgenodigd!” Felice zegt: “Uitgenodigd?” Nando zegt: “Bij Don Bosco! Om te komen eten!” Felice zegt: “Eten bij een pastoor?” Nando zegt: “Is geen pastoor. Je kunt er ook spelen. Het heet ra… ra…” Maso zegt zoetjes: “Oratorium…” Felice valt uit: “Wat is dat dan voor de drommel? Wat moet dat dan?” Maso zegt met genot: “Het is er prima! Spullen!……. Er gaan wel duizend jongens heen, geloof ik. Je kunt er ook zingen, man! En muziek dat ze maken! Gossie, ze hebben er een echte bersagliere! Met maneuvers! Of hoe dat heet, je weet wel, van soldaten.” Maso begint te wiebelen, hij slaat zijn ogen neer voor Felice. Die zegt eerst niets en dan: “Is hij daarheen?” Nando zegt: “Maar hij is niet overgelopen, Felice!” Het wordt nog stiller. Dan zegt Felice: “Ik moet dat zien”. Ze gaan. Naar het oratorium.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

In het Oratorium van Valdocco is een bel gegaan en het ergste lawaai is uitgegaan. Een jongen of wat is er van tussen gegaan. De tweede bel is gegaan en de kerk is aangegaan. Nu zou het stil moeten zijn, want het Oratorium ligt in de buitenweiden. Bovendien wordt er in alle hoeken en gaten catechismusles gegeven. Gezellig, bij kleine of grote groepen, met een priester of een grote jongen of soms zelfs een baron of graaf aan het uitleggen. Maar ja! Onder de oude moerbeiboom die over het ringmuurtje hangt gaat het lage poortje open en Don Bosco kijkt bedenkelijk de zandweg af: tachtig meter verder in de Via della Giardiniera, op nog geen dertig meter afstand van de schuurkapel, naast de herberg van madame Bellezza. In de kapel heeft Buzetti er de grootste last van: hij geeft les aan de groep die het dichtst bij de deur zit gehurkt. Hij heeft geprobeerd de deur te sluiten, maar dat is om te bezwijken van de zomerwarmte en de ongewassen jongensmassa. Don Bosco trekt het poortje achter zich toe. In de herberg wordt hij met gelal ontvangen, en met stank van branderige tabak en van zure wijnheffe. In de verpeste atmosfeer beult een dronken militair trio een weinig verheffend lied af: er is overigens niet veel aan te bederven. Een vrouw gilt en gilt en gilt een derde keer. Voetlui van de gemeente, gehuisvest bij Visca, Don Bosco’s derde buur, herkennen de toog in de deuropening: “Cereja, Don Bosco! Ha, die Don Bosco! Dat is nog eens een kraai! Kom er in man…… Ga er bij zitten! Wat zal het wezen?!” Don Bosco heft zijn hand op. Ongelooflijk: het wordt stiller! Don Bosco roept: “Heel vriendelijk aangeboden, hoor! Een andere keer!……” Een purper aangelopen massale karrevoerder rijst als deeg en biedt zijn stoel aan: “Ga toch zitten, Don Bosco!” Don Bosco zegt: “Dit keer niet. Er is catechismus bij ons in de kapel, mensen. En we kunnen mekaar haast niet verstaan! Kunnen jullie hier misschien wat zachter zingen? Meer vraag ik niet, hoor! Pret moet er zijn, maar catechismus ook. En je bent er altijd welkom, dat weet je!” Een koor van gejubel dreigt op te stijgen onder de militairen. Maar de purperen voorman bonkt op tafel. Een lege fles springt van schrik omhoog en kletst op de vloer aan scherven. Schor van dronkemansbeleefdheid fluistert hij: “Ssssst! Jullie houdt je kop als Don Bosco praat, sakkerju! Don Bosco, we zijn stil, doodstil!…… En als er eentje hier zijn bek nog wijder dan een halve duim opendoet, dan douw ik er, bij hier en gunter, mijn vuist in!”
Een militair staat op, schots en dan scheef. Hij prutst aan zijn sabel.
Don Bosco zegt: “Kalm aan! Dank u! Cereja!”
Achter zijn rug zwelt uit de herbergdeur het gefluister weer aan tot een doffe dreun. Don Bosco loopt de Via della Giariniera verder af en komt in de wildernis. Paadjes zigzaggen tussen lijsterbessen, braamstruiken en paarse vlekken wilgeroosjes. Een verstikkend stinkende asvaalt. Een klomp eikestreuvels en daarachter stemmen. Don Bosco luistert en hoort: ‘We zijn veel te vroeg. Michele heeft de tijd……” “Wij niet soms? Wat doen we?” “Hier! Pokeren!” “Geen zin. Wat is Michele eigenlijk van plan, zeg?“ Een stilte. “Ik vroeg, wat Michele van plan was.” “Zeg, ga naar je oma. Om hoeveel spelen we?“ “Twee stuiver het punt.” “Hiero! Moet je hèm horen! Twee stuiver! Kinderspel!” “Hèb je wel twee stuiver, stuk branie?” “Daas niet. Schei uit met dat bekvechten jullie twee. Nééé, het geld op de zakdoek leggen asjeblieft. Ik mag het graag onder ogen houden……” “Joost, wat een kaart! Ik pas.” “Mij nog drie. Zes stuiver……” Don Bosco schuift langs het streuvelhout. Tegelijk met zijn schaduw valt ook zijn hand op de zakdoek: in één greep heeft hij kaarten en geld te pakken. Stomme verbazing op vier verhitte gezichten: daar gaat een pastoor met hun spulletjes aan de haal! Een pastoor! Gort met krenten, wat kan die vent lopen! Er achter aan: “Héé! Héééiiiii!!!! Ons geld terug! Vuile dief! Smerige kraai.” Op dertig meter afstand blijft Don Bosco staan. Hij roept: “Als je me inhaalt, kun je het wéér krijgen!” Vier jongens van om de zestien rennen zich de benen uit het lijf. Ze lopen al op hun tandvlees, wanneer de priester, met de soepele, tijgerachtige gang van een geboren athleet, meters en meters voorsprong heeft genomen en weer stilstaat en uitdagend met de zakdoek zwaait, en hardop lacht. Lopen, jongens, lopen! Denk aan je centen! Man, wat een s t a r t  heeft die zwartrok.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

“Daar!” Maso wijst: over een brede sloot een muur, goed twee meters hoog. Aan het rechtereind van de muur en de lange sloot, waar de zijweg begint, staat een herberg: er is gebrul te horen. Maar daarbovenuit wordt de zomermiddag doorgevijld met het Lodate Maria: een galmend jongenskoor laat zich vieren op de muziek: aan het eind van elke regel halen ze uit als een harmonica. Felice, de operakapitein, staat te watertanden. “Hoe kom ik er in?” vraagt hij. Maso neemt hem mee, de tegenovergestelde kant op van de herberg. De muur maakt een hoek en er ligt een vlonder over de sloot. Ze lopen langs de muur tot waar er een huis tegenaan gebouwd is. Het sprint uit in een stompe hoek met wijde karrepoort (dicht op de zondagmiddag):

      CARRI DEL COMMUNE

staat er op. GEMEENTEKARREN. Een stalknecht komt naar buiten met een strootje tussen de tanden. Hij schiet ze kwaadaardig aan en het groepje rent even. Aan de achterkant van het huis blijkt de muur nog eens een hoek te hebben gemaakt. Dan nog eens. Felice zegt: “Het lijkt Jericho wel.” Niemand begrijpt wat hij precies bedoelt. Maar tenslotte zijn ze op de Via del Giardiniera, de weg waar de herberg aan staat: ze kunnen die zien, amper. Achter een rij moerbeibomen. Aan hun linkerhand de muur en Maso zegt verbouwereerd: “Zeg, de muur is gerepareerd! We kunnen er niet over heen.” Hij blijft staan en Felice vernietigt hem met minachtende mondhoeken. Hij zegt: “Wacht dan maar op me. Als het te lang duurt kom je me helpen.” Hij klimt in een moerbei en Maso wil zich niet laten kennen: klimt hem dus na. Boven hebben ze een goed overzicht. Netjes met dakpannetjes belegd (in rijtjes van drie) loopt de muur, hier wat hoger, daar wat lager, om een vijfhoekig terrein. Aan het ene eind de gemeentestallen. Daar begint een moestuin, door een hek gescheiden van een grote platgetrapte wei, en daar…… Felice schuift wat blaren opzij: zijn ogen schitteren er tussen uit als bij een aap die een bananenplantage ontdekt! Daar: stelten, een wip, een brug, kogels……
Aan het andere eind van het terrein staat een huis met twee verdiepingen, vol vensters aan deze kant, maar aan de zijkant blind. Er zit alleen een grote deur in met een houten kruis er boven en op de nok een schamel klokje. Maso zegt: “Die deur is het, daar zitten ze achter te zingen, dat is de kapel…… Het is een schuur geweest! Pas op! Kijk, daar komt een gozer!” Felice buigt ver naar voren en in zijn opwinding geeft Maso hem een por. Groot gedruis: Felice is de takken uit getuimeld, binnen de muur. Doodsbleek en star kijkt Maso: Felice blijft liggen en de “gozer” loopt hard naar hem toe. Felice vliegt overeind, wankelt even, maar de jongen is al bij hem. Hij steunt Felice en houdt hem tegelijk goed vast. Het is een potige kerel en Felice kan niet loskomen. “Heb je wat gebroken? “ Felice staat aan de grond genageld! Hij vergeet zelfs zijn vuist te schudden tegen Maso, die aan de stam zit gekleefd als een eekhoorn in doodsnood.
S l a a t  die knul niet? Bij Felice komt de branie terug. Hij legt zo goed en kwaad mogelijk zijn armen over elkaar en het hoofd in de nek. Hij zegt: “Wat dacht je! Dat ik gevallen was? Ik ben gesprongen! En laat me nou maar los.” Voor de zekerheid zegt hij er bij: “Asjeblieft!” Maar de jonge kerel zegt: “O, dan wou je dus bij ons komen, als je gesprongen bent. Ga maar gerust mee hoor!” Felice zegt verrast: “Mag dat zo maar?” Maar hij trekt zijn gezicht onmiddellijk in een onverschillige plooi en zegt: “Waar naar toe eigenlijk? En wie ben jij, zeg?” De jongen zegt: “Giuseppe Buzzetti, metselaar.” Felice zegt: “Metselaarsjóngen, bedoel je. Wat doe je hier?” Buzzetti zegt: “Nou, ik help Don Bosco. Maar je vraagt me het hemd van mijn lijf. Ga maar liever mee, ik heb geen tijd.” Felice zegt: “Ho ho! Hoor het kleine baasje! Hoelang ben je al hier?“ Buzzetti zegt goedmoedig: “Ik ben bij Don Bosco zolang het Oratorium er is.” Felice zegt: “Hóé lang precies?” Buzzetti probeert hem mee te trekken en zegt: “Jaar of vijf. Hier in de Pinardischuur zijn we een goed jaar.” Felice zegt: “Maar daarvóór dan?” Buzzetti zegt: “Overal en nergens. De hele stad zijn we ongeveer doorgeweest…… Kom!” Felice begint te lopen en zegt: “O, daarom wist ik er niets van! Zeg, die knullen zongen lang niet gek daarnet. Waarom is het nou zo stil?” Buzzetti zegt: “Er is een pracht van een preek momenteel.” Felice blijft weer staan: “Preek? Hm! Wordt er niet meer gezongen? Ik ben ook zanger: ik heb een prachtige stem. Moet je horen……” Buzzetti houdt hem gauw de hand voor zijn mond. Hij zegt: “Wacht even. Dat doe je straks maar, onder het lof. En ga nu eindelijk mee.” Maso ziet ze, vanuit zijn nest, de kapel ingaan. Hij laat zich omlaag glijden. Dat wordt hommeles voor hem.
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #8 on: 21 August, 2009,; 19:40 »

HOOFDSTUK IV


Of er in de kerk gepandoerd mag worden, en hoe
Don Bosco loopt, wanneer er stenen vallen.


FELICE trekt zijn jas recht en strijkt vier vingers door zijn haar. Hij zet een plechtig gezicht. Uit de open kapeldeur walmt hem een vrolijke stem tegen, omgeven door een geur van warme jongenslijven. Hij daalt de twee trappen af naar de uitgegraven tegelvloer en moet blijven staan, want verderop is elke vierkante decimeter bezet. Terwijl zijn neus went aan de standl, wennen zijn ogen aan de duisternis. Het licht valt door zeven lage venstertjes met rode gordijntjes en de hele kapel kan goed twee meter hoog zijn. Een kleine, kwieke priester, met een krans van zilverhaar, preekt vanaf een laag voetstuk en raakt bijna het plafond, telkens als hij naar de hemel wijst. Hij heeft het over de hemel. En dáár zit Cesare. Felice rekt de hals, kucht luidruchtig, valt haast over een jongen die op de laagste trede zit, maar Cesare gaat blijkbaar geheel op in de preek. Is die zo de moeite waar? Felice kijkt nog eens om naar Giuseppe Buzzetti, zijn Engelbewaarder, knipoogt en laat zich neer op de onderste tree van de trap. Buzzetti blijft aan de deur staan. Felice begint te luisteren. Hè, dat is gemakkelijk te begrijpen, dat is Turijns dialect, dat is leuk!
- - -Je moet het helemaal zelf weten, beste kerels. Wat dacht je? Dat de Lieve Heer een kinderjuffrouw was? Maar nee, maar nee: Hij laat je op je eigen benen staan. Je hebt een vrije wil. Met die vrije wil kun je alle kanten uit. Als je er echt om zit te springen, dan kun je je zelf voor de wolven gooien. Dat kan. Dan moet je gewoon naar de wolven toegaan, die zorgen voor de rest. Je moet gewoon naar bedorven klungels toegaan, die zorgen voor de rest. Die zullen je ziel wel verscheuren, aan snippers! Nietwaar? Blijf er toch vandaan, beste kerels! Ga niet om met knullen die vloeken; die vuile praat verkopen; die stelen. Er zijn er die nooit in de kerk komen……
Felice schrikt. Kijkt dat grijze ventje naar hem? Voorzichtig onderzoekt hij het gelaat van de omzittenden, maar aller aandacht hangt aan de preek.
Goedig, met zijn warme stem en zijn zwierige handen, gaat de priester door: --- Nee, kerels! Als het Zondag is, dan weten jullie wel beter waar je naar toe moet gaan. Naar de herberg soms? (“Nee!”) Naar de Dora soms? (“Nee!”) Naar bepaalde verenigingen, die ik hier niet wil noemen? (“Nee!…… Niet naar de c o c c a !” schreeuwt een eenling.) Waar kun je dan terecht? (“Oratorio! Oratorio!”) Juist, in het Oratorium! Hier ben je allemaal net als schapen in een warme stal, een fijne stal, met herder --- dat zijn de preister --- en met honden --- dat zijn jullie catechisten. (Er wordt gegniffeld en menig catechist krijgt een elleboog in zijn ribben.) Hier zijn die trouwe waakhonden van Onze Lieve Heer. Hier komen de wolven niet binnen en als ze binnenkomen……”
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Hijgend vliegt uit het zonlicht een zwarte figuur het deurgat in. De predikant onderbreekt zichzelf en de kapel staat op zijn achterste benen. Er wordt daverend gelachen: Don Bosco staat daar en zwaait triomfant een rode zakdoelk boven zijn hoofd. Felice (mond star open) krijgt een por van zijn buur: “Fijn jô! We krijgen een vraag-en-antwoord-preek!” Het wordt nieuwgierig stil, want achter Don Bosco doemt, bezweet en snakkend naar adem, een grote jongen op, die naar de saamgehouden zakdoek springt, mist, rondkijkt, naar zijn muts grijpt…… Zo nog drie. Gans bedremmeld staan ze te kijken, terwijl de predikant met stemverheffing herhaalt (maar hij kan een toon van jongensachtige pret niet onderdrukken): “Zoals ik dus zei, wannéér er hier wolven binnenkomen……” “Hééé,” zegt Don Bosco. “Ik protesteer! Ik laat me niet beledigen! Wij zijn helemaal geen wolven, wij zijn gewoon een kaartclubje en we komen hier een potje pandoeren!” Hij praat zijn platste Piëmontees en de jongens genieten met luid misbaar. De vraag-en-antwoord-preek is begonnen. Don Bosco speelt de rol van wie er naast hem staat: een brutale, domme nietsnut. Predikant: “Nou, nou, beste kerel! Je bent hier in de kerk! In de kerk wordt niet gepandoerd.” Don Bosco: “Mogen we hier niet eens p a n d o e r e n ? Dan gaan we maar weer, wat jullie kameraden?”
(De vier kameraden knikken gretig. Eén doet weer een greep naar de macht over de zakdoek.) Predikant: “Ho ho! Dat gaat zo maar niet. Jullie bent nu eenmaal in de kerk, nu moet je er ook blijven. Al kun je er dan niet pandoeren, je kunt er toch best plezier hebben met mee te luisteren en mee te bidden, en te zingen.” Don Bosco: “Bidden? Maar ik heb vanmorgen nog pas gebeden. Meneer Pastoor! Ze hebben mij wel eens verteld, dat je OLH niet moet verwennen……” De predikant: “Bidden, mijn beste man, moeten we de hele dag……” Don Bosco: “Maar dat gaat toch niet! En wanneer moet ik dan eten…… en drinken…… en pandoeren?” En nu wordt het ernst. De kleine grijze predikant legt uit, wat bidden is. Je kunt ook bidden door te spelen of te werken of te z i n g e n. Felice spitst zijn oren. Dat is juist iets voor hem. Je hoeft schijnbaar alleen maar aan God aan te bieden wat je doet. Makkelijk. Met een schietgebed of zo. Don Bosco vraagt er tussendoor, maar stelt geen “domme” vragen meer.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #9 on: 22 August, 2009,; 10:13 »

In de kroeg van Madamina Bellezza aan de Via della Giardiniera gaat het “Grote Leven” zijn lieve gang. Het lijkt dat de lucht trilt van het gedaver, maar dat komt van de hitte. Misschien komt het ook van de hitte dat de militairen in de kroeg woorden krijgen. Een soldaat springt overeind en struikelt haast over de drempel. De buitenlucht ontnuchtert hem een beetje. Hij knippert tegen het felle zonlicht. Hij doet een paar wankele passen en trekt zijn sabel. Soldaat nummer twee komt uit de herberg wankelen, nog dronkener dan de eerste. Nummer twee slikt, hikt, houdt zich vast aan een moerbeiboom om niet te vallen. Hij kijkt dwaas naar nummer een en tracht de wenkbrauwen te fronsen met een komische dronkemansernst. Hij grolt: “Lelijkerd! Smeerlap! Valsspeler!” Hij vloekt en prutst aan zijn sabel. Maar nummer een is hem voor. Hij zwaait zijn sabel in een weifelende boog. Nummer twee, plots ontnuchterd, brult van de pijn en verontwaardiging: er loopt een vuurrode streep over zijn wang, waar het bloed uit begint te sijpelen. Hij krijgt zijn sabel los uit de schee en springt af op zijn aanvaller. Die neemt de wijk. Schermend om zich nummer twee van het lijf te houden schuifelt hij voet voor voet terug, langs de muur van het Oratorium.
“Ave Maris Stella,” galmt het koor in de kapel. Aan de deur van de herberg is de purperen voerman komen kijken. Hij vuurt aan. De gewonde soldaat wordt gedreven door een dierlijke woede. Langzaam maar zeker moet de ander wijken voor zijn onbehouwen geweld. Hij dekt zich in de flank tegen de muur, tot hij opeens het poortje van het Oratorium naast zich vindt. Hij glipt er door en slaat op een blinde vlucht. Hij weet zelf niet, dat hij instinctief daarheen vlucht, waar mensen zijn, naar de kapel. Op de hoek van het huisje van Don Bosco houdt hij weer stand, hijgend. Wild bespringt hem zijn achtervolger. Hij pareert de stoten en slagen slecht. Voet voor voet wijkt hij, in de richting van de kapeldeur. Hij kan zich niet goed concentreren. Hij wordt afgeleid door het gezang, door een fluithelle stem boven alles uit:
“F u n d a   n o s   i n   p a c e ,” Vestig ons in vrede……
Vrede, denkt nummer een verward…… Ze schermen, halen uit, slaan, hakken. Zwijgend. Nummer twee krijgt wéér een lik, over zijn sabelhand. Het vel schampt er af en de plek zuigt zich vol bloed. Bulkend deinst hij terug en valt weer aan als een koppige stier. “I t e r   p a r a   t u t u m,” Geef een veil’ge doortocht, zingt de stem van Felice. Als een opgejaagd wild stort nummer een zich, door de kapeldeur, in het halfduister van de zingende ruimte. Tussen knielende jongens. Naast Don Bosco, die overeind springt en nummer twee tegenhoudt, bij de deur. Hij zegt donderend:
“Schaam je! In de kerk vechten! Er uit!”
Van hun meest gevreesde officieren hebben de soldaten nooit zo’n slagschrik opgelopen. Beduusd salueren ze. De jongens achterin grinniken. Het tweetal druipt af. Het gezang is niet onderbroken, slechts afgezwakt. De jongens voorin hebben niets in de gaten gehad. Het liedt zwelt weer aan. Duidelijk te herkennen vibreert de viooltenor van Don Bosco. Daarboven weer die helle jongensstem: Felice zingt zich een bevrijding! Het Ave Maris Stella is uit. Het harmonium stopt even. Buiten klinkt een gil. Buzzetti gaat kijken. Daar waggelt soldaat nummer twee met bebloede kop naar de pompbak van het Pinardi-huisje. Water over zijn hoofd. Buzzetti gaat hem zijn zakdoek aanbieden, maar de man weigert, jankend. Nummer een is verdwenen. Nummer twee strompelt blubberend het poortje uit. Buzzetti kijkt hem na en keert terug naar het Tantum Ergo en de Vrede.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #10 on: 22 August, 2009,; 11:13 »

“N o v o   c e d a t   r i t u i,” Wijke voor een nieuw geloof, zingt de kapel. Spiedend loert het hoofd van Michele door het poortje naar binnen. Het wordt opeens weggetrokken. Achter Michele komt Giacu Botta, zijn trouwe trawant, aangedraafd. Botta hijgt:
“Michele, luister, zeg! De cocca van Vanchiglia staat op het Rondó, aan het eind van de straat. Als wij nou omlopen, zeg, over het veld, en dan achterom door Via Botta……”
Michele vernauwt zijn ogen tot flikkerende spleten, dreigend. Hij snauwt: “Niks t’r van! Ik ben de baas! Hou jullie je gedeisd, jij en de hele bede. Net zolang tot ik het sein geef. Verstaan?
Giacu Botta, arme drommel, valt haast over zijn woorden om het weer goed te maken.
“Ja, capo! Ja!! O ja! Ja, ja!”
“Zeur niet! Moet je weer opvallen? … Als ik het sein geef, trekken jullie door Via Botta……”
“Maar capo, en net zei je van niet!”
“Hou je snavel! Jullie gaan door Via Botta, beste Botta. En niet van àchteren aanvallen op Vanchiglia, wat jij met je stomme kop van plan was. Niet soms? O zo. Maar van voren!”
“Capo, we zijn met veel te weinig man. We hadden er niet op gerekend……” Een oplawaai snoert hem de mond. Michele zwijgt even. Dan zegt hij: “Van vóren aanvallen. Terugtrekken en dan meelokken. Deze straat in!” Op het gezicht van Botta begint het te dagen.
Kolossaal! Dan kunnen ze de bende van de Aapmens onder een hoedje vangen. Tussen de muur van het Oratorium en het prikkeldraad. Botta zegt, met aanbidding in zijn stem: “Capo…… Je bent kolossaal!…… Neem me niet kwalijk, maar je bent een kei!” Michele haalt zijn schouders op. Hij bijt:
“Verdwijn!” en hervat zijn spionnage.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #11 on: 22 August, 2009,; 16:56 »

Uit de deur van de kapel stromen de noten van het liedje na, en de eerste jongens van de vijfhonderd. Daar komt ook Felice. Felice ziet Cesare. Cesare heeft hem blijkbaar al een tijdje in het oog. Eerst nu echter zegt Cesare beschaamd: “Ha die Fé!” Maar Felice is de insubordinatie vergeten: “O Cesare, Don Bosco, was dat die kleine grijze die stond te preken?” Cesare zegt: “Nee, die kleine grijze niet, dat was Doctor Borél. Wat kan die mooi preken, hè? Waar zijn de anderen?“ Fé trappelt van ongeduld. Daar is Buzzetti, Giuseppe:
_ “Zeg jongen, hoe heet je ook al weer? Felice Vireglio? Don Bosco zoekt naar jou!?” Fé zegt: “Naar mij toch niet! Hoe kent hij me dan?”
Buzetti zegt: “Hij zat naast je in de kapel en hij hoorde je toch zingen, niet? Mijn complimenten, trouwens!” Felice bloost warempel van plezier. Dat er iemand naar hem zoekt, omdat hij mooi heeft gezongen, dat is zijn hoogste ambitie ongeveer. Don Bosco staat in een kolk van jongens. De rode zakdoek, waarmee de dialoogpreek begon, geeft hij terug aan de oudste van de vier kaartspelers, en hij zegt:
“Voortaan zijn we vrienden dus? Mooi, belofte maakt schuld! Nou mag je gaan spelen wat je wilt. Maar je moet niet wegsluipen, want ik hèb nog wat voor jullie. En volgende Zondag kom je natuurlijk weer? “ In koor antwoordt de kaartclub bevestigend. Een paar gaan spelen, maar twee blijven staan bij Don Bosco. Houden zijn hand vast en lachen. Felice klieft met veel flair door de massa, tot vlak bij de priester. Buzzetti volgt in zijn kielzog, maar Cesare blijft wat onwennig aan de buitenkant van de groep. Dus dat is Don Bosco! Fé voelt een waterheldere blik op zich rusten en diep bij zich binnengaan. Hij weet opeens, wáár hij al die jaren naar verlangd heeft. Het leven is begonnen, het is opeens begonnen, maar het is er altijd geweest. Het geeft niet, wat er nog meer geweest is. En alles komt in orde, want deze man heeft hem aangekeken. Don Bosco heeft geglimlacht! Het leven is goed! Ja, zolang Don Bosco er zal zijn, zal het leven één geluk blijven. Hij is, voor het eerst sinds jongensheugenis, in de war. Maar in een héérlijke war. Don Bosco moet zijn vraag herhalen; Buzzetti geeft Don Bosco antwoord, en Felice een vriendelijke por: “Hoe of je heette!” “O!” zegt Felice. Nu heeft Don Bosco hem bij de hand genomen en Felice kust die hand. Dat hoort zo. Maar hij geeft die kus met eerbied. Als…… als een relikwie. Hij lacht en opeens kan hij het gesprek weer volgen. Om hem heen wordt er ook gelachen, en Don Bosco heeft kastanjebruine krullen en geweldige wenkbrauwen en hij is ontzettend sympathiek. Don Bosco heeft gezegd: “Jij hebt, geloof ik, een stem om vogels mee te vangen! Ik kon mezelf niet meer verstaan in de kerk!” Felice is de oude Felice, hoewel herboren! Hij schatert en schept op: “O dat is nog niks! Zo’n makkelijk liedje! U moet mijn operaclub horen!” De jongens eisen met luide stem dat zij gehoord worde. Fé zegt: “Ze zijn niet hier. Alleen Cesare.” Felice keert zich om en roept bevelend om Cesare. Maar Cesare heeft in de poort het snuitje van Nando reeds bespeurd, de hele bende ontdekt en meegetroond. Felice zegt: “Ha, daar komen ze aan!” “Nou dan zullen we het horen,” zegt Don Bosco. Felice kijkt en telt: “Kom hier jullie! Cesare, waar is Maso?” Nando zegt: “Hij durft niet, omdat hij je uit de boom douwde!”
Don Bosco wil al hun namen weten en Felice zet zich in postuur. Giuseppte Buzzetti geeft hem de ruimte. "Dames en Heren,"  zegt Felice. Hij steekt een rijke toespraak af, de speelplaats buldert van het lachen en daar gaat ie dan: “O Signor che dal tetto natio……”
De straatzangertjes geven er al hun verve aan van Verdi’s inheemse genie. Het applaus brandt los over hun hoofden en tegelijk klettert een hagelbui stenen neer! Uit het poortje komt, met grote angstogen in een bleek gezicht, Maso gerend: “Pas er op! Pas er op! Er wordt gevochten! Ze gooien……” Fé springt op hem af en schudt hem: “Wie vecht er?” Maso hinnikt: “Vanchiglia tegen Valdocco…… Michele heeft Vanchiglia hierheen gelokt.” Gebrul van verontwaardiging. Felice sprint naar het poortje, gevolgd door zijn getrouwen.
“Halt!” roept Don Bosco. “Hier blijven allemaal. Verzamelen achter de kapel. Ik verbied iedereen om zich op straat te wagen.” Op Don Bosco’s eerste woorden is het doodstil geworden. Verbaasd constateert Felice, dat er in zijn hart geen protest rijst. Hij wil alleen maar gehoorzamen. Don Bosco komt op hem af. Waar hij juist stond, valt een zware kei neer. Don Bosco zegt: “Felice, weet jij er meer van?” Geen wantrouwen. Fé zegt: ‘Ik ken een jongen, die zit er achter, Signor Don Bosco.” Don Bosco glimlacht: niet droevig en overmoedig. Hij glimlacht enkel voor Felice, zo te zien. Hij buigt zich naar Felice en fluistert hem iets in het oor…… Maar dat!! …. Fé wordt rood, en straalt dan. Hij moet r o e p e n : “Ja, Don Bosco! Ja!”, want Don Bosco is al doorgelopen, een beetje deinend. Net een boer die over zijn land loopt, alleen elastischer. Achter hem gaat het fluisteren aan en uit: in uiterste spanning zien de jongens Don Bosco wegwandelen, terwijl de stenenregen aanhoudt. Felice kan zichzelf niet meer de baas: als Don Bosco zich onder het poortje naar buiten buigt en verdwijnt, rent hij op de muur af. Eén sprong ….
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #12 on: 22 August, 2009,; 21:11 »

Felice zit boven op de muur. Een steen suist hem over het hoofd. Wie deed dat? Alle stenen die op de speelplaats zijn gericht komen van dezelfde kant, van herberg Bellezza. Daar staan de lui van Valdocco: Michele ook. De jongens van Vanchiglia zijn heel onvoordelig uitgemanoeuvreerd, al weten ze niet van wijken of toegeven. Want Valdocco kan zich naar believen verschansen achter een hoek van het ringmuurtje of achter de schuur van de herberg, maar Vanchiglia vecht in het opene, tegen een goeddeels onzichtbare vijand. Dat ziet Felice in een paar tellen. Dan wordt hij wild. Michele mikt op Don Bosco, Felice’s pasgevonden vriend Don Bosco!
Doodbedaard staat die midden in Via della Giardiniera te redeneren en te parlementeren en gebaren te maken. Het stenenvuur van Vanchiglia heeft even gestotterd toen hij verscheen, maar Valdocco geeft orders om dóór te gooien. Daar zwiept een stok langs Don Bosco’s oren. Felice roept: “Gemenerds! Schei uit!” Er richten zich een paar stenen op hem. Hij wankelt: een kei boven zijn linkeroog! Zijn kin knakt omhoog: hij stoot een kort gebrul uit; hij maakt aanstalten om zich in het strijdgewoel te storten, maar blijft verstard zitten, hand onder het been, mond wagenwijd open. Don Bosco is ten strijde getrokken! Met kordate passen, onder vlagen stenen, zonder zelfs een arm voor zijn hoofd te houden, bereikt hij de gelederen van de Vanchigliabende. Die zijn verbouwereerd. Tot tweemaal toe heeft hun geschutsvuur gehaperd. Enkel omdat Michele zijn salvo’s liet verdubbelen, zijn ze opnieuw begonnen. De meesten hebben Don Bosco nooit gezien. Ze kunnen niet wennen aan het idee van een priester die doodgemoedereerd onder vliegende stenenbuien de vrede staat te preken. Als nu die priester de eerste de beste uit de hoop plukt, hem optilt en met de vlakke hand een muilpeer verkoopt die, boven het krijgsgehuil uit, ver in de straat weergalmt, dan gaat hun verbazing over in stille woede. Een kraai die partij trekt tegen Vanchiglia! Dat gaan ze afstraffen! Een heel karwei, naar plotseling blijkt. Het eerste slachtoffer ligt nog half versuft tegen een moerbeistam. Knock out! En daar gaat nummer twee reeds tegen de vlakte, na een welgemikte vuistslag onder de kin. De Vanchiglia-gelederen deinen weifelend. Ze horen Michele: “Doodslaan die kraai!” De Aapkerel brult iets en een hele kluit jongens wentelt zich dreigend tegen Don Bosco. Maar Don Bosco wijkt niet. Zijn gezicht is hard om je angstig te maken. “Als jullie niet wilt luisteren……” zegt hij, nog steeds bedaard, en hij neemt twee passen en zijn vlakke hand maait twee keer heen en weer. Dit is toverij! Drie, vier jongens spartelen op de straatkeien en Don Bosco loopt rustig door, maait rustig verder. De Valdocco-stenen achter zijn rug vliegen doelloos door de ruimte: Don Bosco lijkt onkwetsbaar! Lo Scimmione heeft het een ogenblik aangezien, onder de zwarte bos haar die hem geen voorhoofd overlaat. Een onbestemde vrees grijpt hem om het hart. Maar hij is toch Capo van gans Vanchiglia? Hij baant zich een weg tussen zijn kornuiten door en komt vóór Don Bosco staan, een jong monster, met behaarde gorilla-armen. De hele troep vliegt opzij. En dan achteruit, want Valdocco gooit nog ongenadig. Ze kunnen de jongens goed raken.
Op de muur zit Felice (met een prachtige buil) te springen en Indianenkreten uit te stoten. Don Bosco zegt kortaf: “Simeone, trek je kerels terug.” Hulpeloos kijkt de Aapkerel om zich heen.  Terugtrekken? Dat had in het begin gekund. Maar voor een kraai? Nu iedereen kijkt?…… Hij wil het glas wijn van Don Bosco vergeten zijn.
Een schielijke, bittere wrok verwringt zijn gelaatstrekken: met zijn opgetrokken lippen lijkt hij een kruising van aap en buldog. Don Bosco, zonder andere keuze, timmert er op. Als een lekke band verliest Lo Scimmione zijn puf. Valdocco is opgedrongen, stokken zwaaiend.
Felice tart ze, tracht ze af te leiden: “Michele! Michele! Lafbek! Je praat goed, maar je smijt erbarmelijk!” Vanchiglia heeft er plotseling genoeg van en kiest het hazenpad. Don Bosco draait zich om en gaat afrekenen met de bende van Valdocco. Rustig komt hij aangelopen, onder goedgevoede, maar slechtgemikte salvo’s. Daar rijt hij een jongen de stok uit handen; de stok zeilt weg. Don Bosco’s vlakke hand gaat van een, twee, heen en weer, en het spelletje van daarstraks dreigt zich te zullen herhalen. Maar Michele heeft staan fluisteren met Giacu Botta, vlak bij Felice. Botta sluipt om. Felice gilt:
“Don Bosco, achter u! Achter u!” Felice springt van de muur, boven op Michele. Als de bliksem draait Don Bosco zich om, juist op tijd om de klomp van Botta op zijn gezicht te krijgen. Mèt zinkt Botta als een zoutzak ineen onder een stom in de maagstreek. Michele heeft zijn handen vol aan Felice. In deze korte momenten is de strijd beslist. Terwijl Michele dóórknikte onder het gewicht van de springende Fé, heeft ook de cocca van Valdocco de moed verloren. Het wordt een vlucht, nog smadelijker dan die van Vanchiglia. Daar rijst kreunend de Aapkerel overeind, te suf om boe of ba te zeggen. Verdwaasd wankelt hij weg, ingehaald en voorbijgerend door een bijgekomen en doodsbenauwde Botta. Michele loopt niet. Hij kijkt met bittere tevredenheid naar het bloed op Don Bosco’s gezicht.
Don Bosco zegt: “Felice!” Want die wil nog even doorvechten. En tot Michele: “Blijf voortaan met je bende hier vandaan.” Michele zegt: “De  straat is vrij…… Kom op, priester Gods, waarom slaat u mij niet?” Don Bosco zegt: “Ik sla niemand. Ik heb jullie alleen weggejaagd.” Michele lacht schamper. Hij zegt: “Tot ziens, kraai! En jij, Felice, óók tot ziens!” Felice roept hem na: “Dank je! Mij in de hel niet gezien!” Maar Don Bosco legt hem kalmeren de hand op zijn schouder en samen gaan ze terug door de poort, naar de speelplaats. Felice houdt Don Bosco’s hand vast. “Jéminé, Don Bosco,” zegt hij, ‘wat is u sterk!”
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #13 on: 24 August, 2009,; 16:50 »

Brosio, een alpenjager, een b e r s a g l i e r e, heeft de jongens bij elkaar gehouden naast de kapel. Daar vielen praktisch geen stenen. Een paar van de allerkleinsten zijn benauwd en huilen, de hele bende breekt het consigne als Don Bosco terugkomt. Ze roepen hem bij zijn naam en ieder wil hem de hand kussen. Felice vertelt in geuren en kleuren, maar nu moet Don Bosco zelf aan het vertellen. Hij lacht wat: “Hoe brutaler die kerels lijken, hoe banger dat ze zijn. Ik had jullie helemaal niet nodig om ze hier weg te krijgen……”
Buzzetti zegt: “Don Bosco u bloedt!” De alpenjager zegt: “Don Bosco, ik neem u mee naar de keuken. Moeder moet u verbinden.”
Don Bosco zegt: “Onkruid vergaat niet. Ik moet eerst iets uitleggen…… Luister goed. Kom mij niet aan, voortaan, met te zeggen, dat je mag vechten, omdat je het mij hebt zien doen. Dit was een hoge uitzondering! Ik zag daar dat die lui als wilde beesten aan het gooien en slaan waren. Er kon moord en doodslag van komen en bovendien was er gevaar voor jullie hier op de speelplaats. Nu moet je mij één ding nóóit vergeten: Wanneer Don Bosco ziet, dat Gods eer op het spel staat, dan wordt hij wild. Dan is hij niet te houden. Dan zou hij nog tegen een pantserkorps te velde trekken, als het moest. Maar niet om het plezier van te vechten, begrepen?” De jongens juichen, ze gaan spelen, en Don Bosco naar de keuken. Hij wast en bet enkel zijn gezicht, terwijl zijn moedertje er haar hoofd bij staat te schudden en te preken: “Don Zoeán, Don Zoeán! * Altijd nog dezelfde belhamel van vroeger! Hoe vaak heb ik je al niet gezegd, dat je je met die rabauwen niet moet inlaten. En nou ben je priester en al, en je komt nóg thuis met een gat in je hoofd. Ik heb je beter opgevoed!” Lachend verdedigt Don Bosco zich: “Maar moeder, wat moest ik dan doen? Onze jongens laten doodgooien? En nou moet u niet mopperen! U mag OLH bedanken, dat ik niet meer dan één buil heb opgelopen. U had die stenen eens moeten zien, wat een kanjers!”
Moeder Margriet wéét ook wel beter. Haar oude, wijze ogen tintelen tussen de rimpels. Maar ze kan het niet laten haar volkswijsheid te spuien: "Net zolang gaat de kruik te water dat ze breekt, Don Zoewaníen! **  Maar mijn jongen, je oog wordt een regenboog!” Ze laat een meelijdend getut horen en grijpt naar verband.
Maar Don Bosco is al verdwenen, na een ontzagwekkend knipoog met het opgelopen rechteroog.


*   Zoeán: Piëmontees voor Jan
**  Zoewaníen: Piëmontees voor Jantje
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #14 on: 24 August, 2009,; 18:13 »

HOOFDSTUK V


Hoe men voorts de Zondag heiligt met spel en
gesprek.



HET is vijf uur. Don Bosco speelt het baarspel. Af en aan, uit en in loopt hij. Een jongen drijft hij in de hoek, en tikt hem en houdt hem beet, bij de arm. De jongen heeft iets op zijn ziel, misschien? Hij kijkt zo bedeesd…… Don Bosco fluistert en de jongen buigt zijn hoofd, beschaamd. Felice speelt mee en zijn ogen laten Don Bosco niet los.
Het is zes uur.  Don Bosco speelt lange vlag. Met een andere groep, en Felice is meegelopen. Daar komen de lui van het kaartclubje aan.
“Don Bosco, we moeten naar huis en u had ons nog iets te vertellen.”
Don Bosco grijpt in zijn zak en geeft hun elk wat snoep. De jongens grinniken. “Volgende week komen we terug, Don Bosco.”
Het is zeven uur. Don Bosco moet laten zien hoe je het best kunt stelten lopen. Cesare komt Felice vragen wat de Operaclub doet volgende week. “Allemaal hier komen,” zegt Felice kortaf. Hij heeft geen tijd voor beuzelarijen. Hij volgt nog steeds Don Bosco met zijn arendsblik. Nu staat Don Bosco bij Buzzetti, Giuseppe. Er is nog een tweede Buzzetti, zijn broer. Carlo heet die, ook metselaar van zijn vak. Don Bosco schijnt met Giuseppe over hem te praten. Hij wijst op hem. Fé zet een pas. Don Bosco wenkt van ja, en Fé  s t a a t  er al. Buzzetti smelt heen. Don Bosco zegt: “Felice, we moeten elkaar even spreken…… Ik geloof zeker, dat we jou hier vooraan vaker zullen zien…… Dat dacht ik al. En weet je waarom Don Bosco je hier bij zich wil hebben?…… Omdat hij je vriend is. Dat vind je toch goed? Vriend van Don Bosco zijn? Felice vindt het allemachtig goed, het beste dat er denkbaar is op de wereld. “En weet je waarmee je mij het grootste plezier kunt doen, Fé?“ O, noem maar op, Don Bosco. Hij wil alles wel, voor Don Bosco! Voor Don Bosco alles. “Nu, mijn beste, dan moet je Don Bosco helpen om je ziel zalig te maken, want daar houdt Don Bosco vooral van, van je ziel. Ik wil absoluut dat we samen naar de hemel gaan, Felice……” Hier valt niet veel op te zeggen, maar wat groeit daar toch in zijn hart?
Fé moet een paar keer slikken en Don Bosco moet een paar keer aandringen, voordat hij zijn triest verhaaltje kan vertellen, het verhaaltje van hoe hij zijn Eerste Communie niet mocht doen…… Nu zal Don Bosco hem misschien kwaad aankijken…… Toch niet wegjagen? H. Antonius, laat hij mij niet wegjagen!…… Maar Don Bosco neemt hem bij de hand. “Zou je dan niet graag te Communie gaan, Felice? Ik weet zeker, dat Onze Lieve Heer op jou heeft gewacht, al deze jaren. Weet je wat? Jij krijgt voortaan iedere Zondag catechismus van Don Ponte…… Je hoeft niet zo zwart te kijken, want je zult zien: Don Ponte houdt nog veel meer van jongens dan Don Bosco. En als je je catechismus goed leert, dan laten we je binnen enkele weken de Eerste Communie doen. Daar wachten we niet mee tot volgend voorjaar, waar Fé?“
Felice zegt: “O nee, Don Bosco als ik maar hier mag komen! Ik vind het hier schitterend…… Bij u, bij u vind ik het schitterend.” Don Bosco zegt even later tegen Buzzetti: “Aan die Felice Vireglio hebben we een hele goeie. Hou hem wat in de gaten de eerste weken. Zo goed als hij is, hij is toch capo-cocca, niet? Ai, die capo-cocca’s, wat hebben we daar een last mee. Zeg, en stel hem voor aan Don Ponte. Die weet er van.”
Het is acht uur. Don Bosco, bleek van vermoeienis, rolt enkele geweldige treffers in de kogelbaan, terwijl de jeugd maar juicht.
Het is half negen als er een bel gaat klingelen. Verschillende jongens zijn al naar huis, maar de laatste paar honderd lopen nu te hoop om Don Bosco, in de schemering. Waar de zon is weggeslopen, wordt de lucht kristalgroen, om te drinken. In de moerbeiboom zucht een rivierbriesje van opluchting. De jongens maken om Don Bosco een groep lawaai, als het avondgebed is gebeden, zo losjes staandebeens, het avondgebed in de schemering……

…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …
Logged

Niet meer actief op het forum.
Pages: [1] 2 3   Go Up
  Print  
 
Jump to:  


Powered by SMF 1.1.13 | SMF © 2006-2011, Simple Machines LLC  •  Endless Mc by: © 2009, Crip