Pages: 1 2 [3]   Go Down
  Print  
Author Topic: Uit SR's boekenkast: Duizend jongens en een man  (Read 3025 times)
0 Members and 2 Guests are viewing this topic.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #30 on: 07 September, 2009,; 18:09 »

Buiten adem komt Gigi Re bij de gasmeter. Hij is ordonnans en heeft nieuws. Hij hijgt en roept schor: “Michele! Michele!” Uit de schaduwen maakt zich een donkerder schaduw los. Gigi zegt haastig: “Ik heb de ene helft van de kerels bij mekaar gekregen achter het gekkenhuis. Die van de Pallone zijn aan het kegelen in het braakland bij het oude kerkhof…… Zeg, hink jij?” De schaduw zegt: “Ja!” Twee grijpklauwen komen uit het duister, pakken hem en Gigi mist een hartslag. Hij wringt en draait om los te komen: hij kan niets zien. Eén hand laat hem los en komt ongenadig neer op zijn rechterkaak, maar als een aal is de kleine dwergjongen weggeslipt. Hij rent bezeten en gilt:
“Michele! Michele! Verraad! Verraad! T r a d i m e n t o !”
De hinkende schaduw volgt hem, opmerkelijk snel voor een hinkende schaduw.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #31 on: 09 September, 2009,; 16:38 »

Het verhaal van Nando gaat uit als een nachtkaars. Slapjes, lamweg. Felice doet zijn uiterste best om belangstelling te tonen, maar dat maakt het maar erger. Lauw vraagt Nando: “Vind je het geen prachtwerk van Don Bosco, Felice?” Felice knikt. Hij kijkt over Nando heen afwezig de tuin van het gekkenhuis in. Besluiteloos. Nando had ook al lang thuis moeten zijn. Maar het reglementaire pak slaag lokt hem minder dan ooit. En hij kan niet weg bij Felice of hij moet er eerst meer van weten. Zó teneergeslagen heeft hij Fé nog nooit gekend. Eerbiedig, schroomvol zegt Nando: “O, Felice……” Daar kan Felice niet tegen. Hij laat zich met zijn rug tegen het gaas langs, op het stenen stoepje zakken. Hij doet zijn hoofd op zijn armen, op zijn knieën. Zijn schouders schokken. Felice laat zich door Nando troostem, maar Nando durft hem met zijn vuile handen niet eens op de schouder te kloppen. Tenslotte hoort Nando, dat Felice ook niet naar huis durft. Dat zijn vader nog nooit zo woest is geweest. Dat hij zich is gaan bedrinken onder de gruwelijkste verwensingen. Dat het Felice niets kan schelen. Dat ze allemaal kunnen stikken voor zijn part. Dat Nando zelf ook kan opduvelen…… Nando legt zijn schoorsteenvegersgereedschap tegen het stoepje. Nando gaat naast Felice zitten. Hij zegt niet, maar fronst voor zijn doen kwaadaardig de wenkbrauwen.
Langzaam houdt het snikken op. Felice kijkt Nando aan. En daar barsten die beide gekken van het lachen. Felice stromen de tranen over de wangen. Van het lachen. Hij veegt zijn gezicht af met zijn mouw. Hij klopt Nando op de schouder en zegt: “Tot ziens, kamerad!” Nando zegt: “In het hol van de leeuw!” Schaterlachend gaat Felice huistoe. Nando staart hem na van zijn zit op de stoep van de afrastering. Zijn smoezelige kinderhanden op zijn magere knieën.
Nando glimlacht. Felice, prachtvent!…… Don Bosco, de beste man van de wereld!…… En God? En God!…… Nando knippert slaperig als een hagedis…… God? Beste God van de wereld…… Nando glimlacht en slaapt al. De lucht is lauw.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

“Michele!” gilt Gigi Re tussen het hijgen door. Hij durft niet terug naar de gasmeter. Wat is er in ’s hemelsnaam met Michele gebeurd? “Michele!” O alle demonen! Wat kan die hinkepoot lopen! Wat moet ie, wat moet ie toch? Goddank! Mauro in het verschiet. “Mauro!” Mauro draait zich om en de hinkepoot staakt de achtervolging. Gigi kan wel huilen van opluchting. Gered! Hij pakt Mauro bij zijn revers alsof het een vlot op zee was. Mauro is drie koppen groter dan Gigi. Gigi kijkt angstig om. De hinkepoot hoont: “Tot ziens straks. Dan mag je wéér lopen!…. . Maar dan…..!” Gig laat Mauro los. Hij zegt: “Man…… o man, ik ben doodop…… Die vent is gek. Hoe heet ie?” Mauro krult zijn onderlip onverschillig uit. “Dat is de hoofdman van de Pallone, Lo Zoppone,” zegt hij. “de Hinkepoot! Zo heet ie. Goed dat ik je tegenkom,  m i g n i n , ik moet je meenemen. De plannen zijn veranderd.” Gigi, die het Kleintje heet, mignin, loost een diepe zucht: “Goddank!…… Ik had die lammeling haast alles verraden, per ongeluk.” Mauro knijpt hem zo hard in de arm dat Gigi de tranen in de ogen springen. Hij schopt Mauro tegen de schenen en huilt: “Idioot…… idioot…… idioot!” Mauro lacht. Het is maar een grapje van hem.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Don Bosco wankelt slaapdronken door Via dei Fornelletti. De nacht tevoren heeft hij niet geslapen en sinds vanmorgen niet gegeten. Maar hier ergens woont een schoenlapper die hij moet hebben. Hij moet een werkcontract opstellen voor één van zijn jongens, een wees, die bij de schoenlapper in de leer is. Het is een hele toer om de winkel terug te vinden. Eventjes steunen tegen de deurpost. Dan naar binnen gaan: wat rinkelen de kralenstrengen van het gordijn dat muggen en warmte buiten moet houden. Met zijn dichtvallende ogen ziet Don Bosco nog net een stoel staan. Hij wil er naar wijzen. Gelukkig dat de baas hem opvangt en naar de stoel brengt. Hij slaapt nog vóór hij zit. En met gevouwen handen blijft de baas kijken naar Don Bosco die slaapt. Onder het kijken zakt zelfs het hoofd van de baas een beetje scheef. Van verering. Hij weet hoe hard Don Bosco werkt!
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #32 on: 13 September, 2009,; 11:20 »

HOOFDSTUK IV

Hoe de vader van Felice jacht op hem maakt met
een bijl.



FLUITENDE betreedt Felice het hol van de leeuw. Wie doet hem wat? Hij heeft Nando en hij heeft Don Bosco! De moeder hangt over de tafel te dutten. Felice wacht op de drempel om niet te storen, maar ze heeft hem gehoord en als ze het hoofd oplicht zegt hij: “Cereja, mare! – Hallo, moeder!” Jaren geleden kreeg hij nog wel eens een kus. De moeder strijkt het haar uit haar gezicht weg. Ze zegt voor zich uit: “Je vader mot je hebben. En dan ik straks.”Felice vraagt: “Is ie in de drukkerij?” Geen antwoord. Felice gaat het trapje af naar de werkplaats, met de letterbokken, met de degelpers. Zijn vader vangt bij het venster het laatste licht op een bijl, die hij geslepen heeft, waar hij nu de braam afvijlt. “Ceraja,” zegt Felice. Vader kijkt op. Zijn ogen branden veel vuriger dan anders. Komt het van de gezwollen leden of van het bloeddooraderd oogwit? Stilte. Vader staat op. Hij leunt op de bijl, het ijzer op tafel. Felice verschuift een voet. Maar slaat de ogen niet neer. En zegt geen woord. Vader brult plotselig: “Kan je niks zeggen?….. Dat is nou een zoon van mij, van de liberale Vireglio…… Daar hebben we hem nou! Een zoon van het ora…… van het opera….. van het Don Boscorium…… Het Don Boschorem!…… Ik dacht dat ik je verboden had naar de kraaien te gaan! Nog deze morgen!…… Dacht je dat ik mij met de nek laat aankijken, omdat jij naar de kraaien loopt? Dacht je dat soms?“ Felice zegt: “Don Bosco is geen kraai. Hij is geen gewoon priester. Hij is een heilige. Hij is net Onze Lieve Heer!” De vader zegt: “Onze Lieve Heer kan……” Felice stopt zijn oren toe. De vader trekt hem de handen weg van zijn oren. Hij vloekt zwaar en nadrukkelijk tegen een zeer heilige zaak. Hij zegt: “Jij hebt te luisteren, als je eigen vader je iets vertelt!” Hij slaat. Hard. “Dat zegt die Lieve Heer van jou zelf…… Ik zal je leren in opstand te komen tegen het ouderlijk geslacht.”
Vader gooit het met de taal op een accoordje. Af en toe slaat zijn tong dubbel, maar hij lost zijn greep niet en slaat toe. Hard. “Eer uw vader en uw moeder…… Of dacht je dat dat veranderd was met de nieuwe grondwet?….. Ik hou me, bij hier en gunder in de verte, aan de oude grondwet wat dat betreft. Jij zult doen wat je verteld wordt. Ik wil volstrekt niet hebben, dat jij naar dat Don Boschorum gaat, of hoe dat verder heet…… Daar blijf je vandaan!” De vader haalt te ver uit en verliest zijn dronken evenwicht. Felice rukt zich los. Van de weeromstuit valt de vader met zijn achterhoofd tegen de vensterbank.  Hij blijft suf liggen en wrijft zich niet begrijpend over de zelfrijzende buil. De bijl is mee gevallen. Felice staat achter de tafel. Hij beeft van drift. Hij zegt: “Als ik op het Oratorium leerde stelen, of vloeken, zoals u, of de beest uithangen zoals u, of me zelf bezuipen zoals u, dan had u er niets op tegen. Maar nu ik er leer lezen en schrijven, wat me heel goed te pas kan komen in ons bedrijf (en dat heeft u me nooit willen leren), nou mag het niet. Ik leer niet slechts bij Don Bosco. Ik heb er alleen maar voordeel bij. En daarom kunt u hoog of laag springen, maar er heen gaan zal ik.” De vader schiet overeind. Hij loeit. Zijn hand schiet naar de bijl. Maar als hij toezwaait, drijft hij het ijzer diep in het tafelblad. Felice is de deur al uit. De vader loeit dubbel en wrikt aan de bijl om hem los te krijgen: Fé ziet en denkt en doet tegelijk, als in een heldere droom. De moeder is met een ruk van haar stoel gerezen en doet een uitval. Fé laat zich vallen. Ze verliest het evenwicht. Terwijl ze wankelt schiet hij onder tafel door. Aan de deur van de werkplaats staat met zijn bijl de vader: die brult en stort zich blindelings naar voren, maar valt over de moeder. De deur! De straat…… God, Maria, Sint Antonius……
Lucht! Maar op straat is hij opeens de bliksemende helderheid kwijt die hem dreef. Zijn voeten verstarren. Zijn hart springt hem naar de keel en blijft daar steken. Hij voelt dat hij doodsbleek wordt en doodsbenauwd: langs het stoepje zijgt hij ineen en heeft nog alleen de kracht om zich tegen de muur te drukken, het hoofd diep in de schouders. God, daar komt vader. God, sta me bij! Maria,,,,,, Maria!! Maria! Don Bosco, help uw Felice…… Alles is blanco in zijn hoofd: zijn ogen zien de smalle straat, scherp; hij hoort voetstappen en duikt dieper weg. Voelt zijn benen elastisch worden, maar onderdrukt een wilde begeerte om op te springen. Iets zegt hem, dat hij hier veilig is.
De vader verschijnt aan de deuropening. Zonder zich te bedenken rent hij naar het open einde van de dode steeg. Fé steekt zijn kop boven de stoep uit. Grote God, zit er bloed aan de bijl? Moeder……? Met een scheut davert hem een panische schrik in de benen en nu bedenkt hij zich niet. Hij rent, rent…… naar het dode einde van de steeg. Zijn vader hoort hem en keert zich om. Als razend rent hij terug, maar Fé heeft twintig meter voorsprong.
 …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #33 on: 14 September, 2009,; 19:08 »

De steeg loopt niet dood. Niet dood voor een jongen die kan klim-
men. Dat heeft de opera-club onlangs ontdekt. De steeg wordt afge-
sloten door een paardenstalling met brede inrij. Zo loopt ze dood.
Maar de kelder, de  c a n t i n a , van het huis er naast loopt onder
heel het huizenblok door, zonder tussenmuur. Het is eens een grote
wijnopslagplaats geweest, waar ook het gebouw van de stalling bij
hoorde, oorspronkelijk. En de operaclub heeft een deurtje ontdekt,
dat, vanuit de stalling, langs een diepe kast, toegang geeft tot een
trap naar die kelder. Dat de trap niet bekend is, komt door ze ge-
heel verborgen ligt achter oude wijnvaten en een dikke kelderzuil. De
c a n t i n a  wordt trouwens niet meer gebruikt vanwege het ongemak.
Dat de kelder doorloopt weet heel de buurt, maar de toegang vanuit
de stalling is het jaloerse geheim van de club. Daarheen is Felice op
weg, zijn inzicht verhelderd door doodsgevaar. De vader ziet Felice
verdwijnen in de stalling en loopt langzamer: nu is hij zeker van zijn
prooi. Hij grijnst er niet om, alleen trekt zijn bovenlip zijn tanden
verder bloot. Hij heeft dezelfde athletische gang als Felice, maar
langere benen. Geen nachtbraken kan zijn prachtig physiek ook maar
afschilferen. De scherpe woede van een bewust ongelijk bundelt nu
al zijn krachten tot één moordlust. Zo zou geen dier op jacht kunnen
zijn, alleen de ontluisterde mens. Bij iedere stap voelt hij in zijn arm-
spieren pijnlijker de nood om toe te slaan. Treffen en vernietigen.
De wonde die hij zich in het bovenbeen is gevallen, op de bijl (daar
is het bloed van), schrijnt hem amper meer dan een prikkel, een spoor
op een paardeflank.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …


Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #34 on: 17 September, 2009,; 17:00 »

Felice loopt de stalling in en smijt de onderdeur dicht. De sluitboom
kost hem een paar seconden. Maar voordat de vader aan de deur is,
heeft Felice de trapkast bereikt. Het hangt er vol touwen. Het is er
donker. Hier achter is de geheime deur. Reeds tast hij met zijn voeten
nerveus de treden af van de stille trap. Stemmen aan de stallingdeur.
Wie is er bij gekomen? Gevloek. Hij bereknt dat het minuten zal
duren eer zijn vader het zoeken in de stalling opgeeft. Een mannen-
stem rijst in protest. Tegen de bijl? Terwijl Felice luistert, tasten zijn
voeten snel de trap af, klimt hij over wijnvaten, maakt hij zijn ver-
dere plan. Don Bosco moet helpen! Hij knijpt zijn ogen toe om ze
aan het duister te wennen. Dan steekt hij in draf de lege  c a n t i n a
over, naar het keldervenster dat opengaat op Via Palazzo, aan de
andere kant van de stalling. Hij tast. O God! Het venster is dicht!
Hij rukt aan het luik en rukt: iemand heeft het luik vastgespijkerd
aan het kozijn. Het duizelt hem, maar niet langer dan een seconde,
want plotseling klinken de stemmen dichterbij: men schijnt de kast-
deur te kennen! O Heer, o Heer! Felice duwt met de vuist tegen zijn
keel de paniek terug. Hij moet vlak bij de geheime trap blijven. Ze
kunnen immers ook de gewone toegang tot de cantina nemen. En wat
dan? Hij durft er niet aan te denken. Wat doen ze? Hij staat weer
bij de wijnvaten onder aan de stille trap en hoort de stemmen ver-
klinken. Wat doen ze, wat doen ze? Hij bijt zich de lippen tot bloed
om het hoofd helder te houden. Maar denken helpt hier niet. Hij
m o e t  wagen. Hij rukt zijn been over het eerste wijnvat…… Terwijl
hij de trap opsluipt (hij moet zijn weigerende voeten tree voor tree
bevelen geven), tracht hij te raden wat er is gebeurd: kent men de
“geheime” trap? Weet men dat het venster van de cantina is vast-
gespijkerd? Dan behoeft vader slechts buiten aan de deur te wachten.
Maar er is een man bij, en de man heeft geprotesteerd. Met die man
is hij tamelijk veilig! Die houdt vader misschien tegen. Van de op-
luchting dreigt zijn hart hem te begeven. Hij opent de kastdeur op
een kier: in de stalling geen stemmen. Felice vliegt naar de ingang,
gluurt. De kust is vrij! Hij loopt de steeg uit, nu de open kant op. Hij
kijkt om, ziet niets, maar hoort gedempt vloeken uit het open hangen-
de poortje van de cantina.
En dan pas ziet hij, voor zich uit, midden in de smalle steeg, het wijf
dat zijn moeder is.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #35 on: 05 October, 2009,; 21:05 »

In jarenlange schermutselingen heeft Felice moeders vechtkunst leren vrezen.
Een heel arsenaal kunstgrepen heeft hij al versleten op haar wéérlichtende
klemvastheid, te gevaarlijker naarmate men het niet achter de volronde
gestalte zoekt. Maar dit is een nieuwe positie: hij heeft ruimte van
aanloop, en dat scheelt. In de aanloop moet hij het zoeken. Dat speelt hem
in één vlaag door de geest, tegelijk met het juiste antwoord op zijn
vraagstuk. Hij chargeert in volle ren, hij loopt regelrecht op zijn moeder
aan, die daar als een prop de steeg van huis tot huis verspert: bijna! Fe's
frontale aanval verbluft haar. Onwillekeurig doet ze een pas terzijde. Dat
wilde Fé juist hebben en door die smalle opening zwenkt hij af, plotseling,
bijna rakelings onder moeders linkerarm door. Vrij? O Heer! Klem! De
rechterarm is toegeschoten, grijpt zijn jaspand. Hij schiet uit zijn
loshangende jas, maar nu zit zijn arm vast. Blindelings slaat hij, in wilde
paniek, trapt en schopt hij, wetende dat het niet helpt, wetende dat zij
zich op hem zal laten vallen als een dood gewicht en pas op zal staan, als
vader komt. Zal ze de bijl tegenhouden? Hij denkt niet meer: zijn hoofd
lijkt een op hol geslagen lichtbeeldenfilm. Hij bidt ook. En dan opeens is
hij vrij. Hij gunt zich geen tijd om naar zijn moeder te kijken. Hij spurt
verder. Hij moet aan zijn adem gaan denken, regelen.. Maar hij kàn niet
vergeten, dat hij zijn moeder heeft geslagen, erg geslagen, bewusteloos?
Vóór ze iemand loslaat.. Dan denkt hij opeens aan het bloed op de bijl.
Daarom had hij niet meer op de moeder gerekend, om hem het pad te
versperren. Er is dan toch géén moord geweest. Hij wordt er rustiger van.
Hij loopt langzamer, hij regelt zijn adem. Geen paniek, geen paniek. Laat
hem kunnen blijven denken. Neemt hij nu een kronkelweg?.. Wacht, Don Bosco
is misschien nog bij Porta Palazzo. Hij neemt de Via del Gatto, en bij het
omslaan van de hoek ziet hij uit zijn ooghoeken dat vader de achtervolging
heeft hervat, met een achterstand van een halve steeg, een meter of zestig.
Goed dat hij het weet, want als vader een andere weg neemt dan hij, kan hij
straks de afstand niet meer controleren. Vader moet denken, dat hij richting
Oratorium zal lopen. Zal Fé dan zolang ergens anders heen gaan? Nee, alleen
Don Bosco kan hem nog helpen. Via del Gatto, honderd meter, Via Milano. O
God, hij hoort zijn vader achter zich roepen. De beul beseft, dat dit gebrul
Fé de spieren verlamt. Hij zou rillend stil willen staan en wachten. Hij
kijkt om: veertig meter achter hem slaat vader Via Santa Chiara in. Vader
wil hem dus de pas afsnijden. Geeft niet. Hij is hem voorlopig kwijt. Tot
zijn verwondering kan hij sneller lopen, naarmate hij rustiger denkt. Porta
Palazzo is leeg en verlaten. Hij steekt het immense plein over. Er is was
slordig daglicht blijven liggen. Dit zou de kortste weg zijn, zonder die
kronkel in Via Cottolengo die hij op de koop toe moet nemen. O God geef mij
kracht! Werktuigelijk loopt hij verder, in sukkeldraf.
.   .   .   .   .   .   .   .   .   .   .   .   .   .   .   .   .   .   .   
.   .   .

Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #36 on: 11 October, 2009,; 13:15 »

Vireglio wil zijn zoon de pas afsnijden langs het gekkenhuis. Maar als hij daar komt, lijkt het of alle gekken zijn losgebroken. Vireglio draaft, uit Via Giulio, de hoek om van Via della Consolata en raakt verwikkeld in een volbloed straatgevecht.
De ingewikkelde manoeuvres van Michele en de nog veel ingewikkelder tegenzetten van de Hinkepoot hebben van de twee cocca’s, die van de Pallone en die van Valdocco, een kluwen gemaakt waar de kat mee heeft gespeeld. Stenen en stokken fluiten in alle richtingen over het plein, onpartijdig vriend en vijand treffend. Vireglio zwaait zijn bijl als wijlen Alexander zijn zwaard tegen de Gordiaanse knoop. Tegelijk met hem is echter de politie gearriveerd. Worstelend en dreigend vordert Viregloio enige meters op het slagveld. Juist dan, op ongeveer hetzelfde punt, vallen de agenten aan op de blanke sabel.
Geen wonder dat de massa Vireglio verslijt voor een agent in burger.
“Een rus! Een rus! Een stille!” wordt er gegild. “Vrede!” Er klinkt een allerakeligst snerpend gefluit en met veel verbazing ziet Vireglio dat de ganse massa front maakt en zich tegen hem keert. De politieagenten kennen deze manoeuvre van oudsher: ze geven geen krimp en trekken op onder het kruisvuur, maar Vireglio vlucht overhaast en heeft kostbare minuten verloren. Als door een wonder bereikt hij ongedeerd de rand van het slagveld. Daar treft hem een welgemikte stokslag juist op zijn buil. Gebrul, wilde vlucht.
Aan het gebrul heeft Nando de vader van Felice met zijn bijl herkend. Nando zit, tegen het gaas van de afrastering, zijns ondanks het slagveld te overschouwen. Hij kan er niet vandaan. Nu maakt hij zich zorgen over Felice. Maar hij heeft genoeg te stellen met zichzelf.
Onder de druk van de politiële actie trekken de jongens, Pallone en Valdocco in één front, terug tegen de afrastering. Ze raken hevig in de knel. Er wordt over een weer geroepen van Michele naar de Hinkepoot. Daarop giert er een tweede gefluit en bij toverslag is de woelende massa opgezogen door de zijstraten. Ook deze manoeuvre kennen de agenten maar al te goed; ze hebben er echter niet van terug. Hun dienstijver kunnen ze nu koelen op Nando, die piekerend is blijven zitten. Hij heeft zijn spullen bijeengeraapt, maar het kost hem een stijf kwartier voor hij de gewapende macht kan overtuigen van zijn onschuld. Of overtuigen…… hij is zo belachelijk klein om mee te nemen naar het bureau. Dan vertelt hij dat hij naar het Oratorium van Don Bosco gaat, iedere Zondag. Want die ene snorrebaard komt hem bekend voor. Die heeft wel eens wacht geklopt achter in de kapel onder de middagdiensten. Zo gevaarlijk vindt namelijk de Burgemeester van Turijn alles wat Don Bosco doet voor jongens. Op goed geluk vertelt Nando aan de snorrebaard dat hij een zoon van het Oratorium is, en als hij uit de preek van de vorige Zondag zich iets weet te herinneren, gelooft de agent hem en praat de anderen om.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Waar Strada di Valdocco uitkomt op Via Cottolengo zwenkt Fé af naar het hoekhuis; daar kleeft hij aan de muur en kijkt. Het zweet dauwt kil op zijn voorhoofd en hij is doodsbleek. Zijn ogen staan er als grote violen. Hijgend ziet hij, met een frons van verbazing, dat Strada di Valdocco leeg is. En in het verlengde is ook het plein van Rondò en Corso di Valdocco leeg. Vader moet zijn vorm kwijt zijn, of de weg kwijt.
Dan hoort Fé een droog geluid. Het is zijn linkerknie die tegen de muur klappert: zijn benen beven. Nu voelt hij pas hoe onzeglijk moe hij is: Niet toegeven aan moeheid. Dit is een kwestie van leven of dood! Hij schrikt er zelf van, dat hij dat denkt: leven of dood. Eindelijk begrijpt hij hoe ze aan die uitdrukking komen. En tegelijk ziet hij heel in de verte, om de hoek achter het gekkenhuis, zijn vader. Tenminste: het zal zijn vader wel zijn, want hij heeft er een flinke draf in en wuift met iets. Deze achterstand is hem een raadsel, maar Felice start als een losspingende veer. Via della Giardiniera. Het poortje.
Het huis van Don Bosco; God, geef, dat Don Bosco thuis is. Moeder Margriet doet open op zijn tragisch bonzen: onverstoorbaar kalm vraagt ze, een kraal aan haar rozenkrans verschuivend: “Is er brand?”
“Moeder,” hijgt Fé, “is Don Bosco thuis? Ik moet hem absoluut hebben!” Moeder zegt kwasi bestraffend: “Jullie moet die arme Don Bosco de hele week ieder moment absoluut hebben. Zo komt het dat hij uren uitblijft, wie weet waar. In een café misschien wel. Als het hem trouwens in het hoofd schiet……” Fé heeft geen geduld: “Is hij niet thuis?” Moeder begint nee te schudden, maar voor ze haar mond open heeft kunnen doen, ziet ze de jongen wegstormen. Ze roept hem na: “Je mag gerust binnen op hem wachten, kom maar binnen……
“Ze schudt bedenkelijk het hoofd en bidt voort: “…… maar leid ons niet in bekoring. Amen…… Het lijkt wel of hun jas in brand staat, en inplaats van hem uit te doen, lopen ze er voor weg…… Wees gegroet……” Fé kan het niet wagen om op Moeders uitnodiging in te gaan. Zijn vader zou zonder de minste moeite hier binnendringen, nu Don Bosco er niet is. Wat nu? Wat nu? Het poortje uit……Hij loopt in zijn haast bijna tegen de moerbeiboom op! O, de moerbeiboom, waar hij op zat om het Oratorium te bespieden. Via della Giardiniera is nog verlaten. Meer aan zijn armen dan met zijn halfdode benen trekt Felice zich op. Zijn gestalte lost zich op in het donkerder loof. Hoger! Hoger! Een gevorkte tak waar hij helemaal in kan leunen. Hoog genoeg? Hij kan niet hoger: hij kan geen lid meer verroeren. Hij sluit zijn ogen en honderd zeepbelletjes parachuteren door zijn tollende hoofd. Krampachtig slaat hij zijn nagels achter zich in de ruwe schors. Hij zal toch niet vallen, God? O God! Dat dierlijk gebrul weer! Weer dat rauwe, hese geloei van zijn vader. Hoe kan de man?! Fé zit zich af te vragen, midden in zijn doodsangsten, hoe toch zijn vader zo lang kwaad kan blijven. Heeft hij iets tegen Don Bosco dat heel erg is? Of tegen God? Vaders stem klinkt vlakbij. Er komt een nevel opzetten uit de rivier. Daar voelt Fé zijn voet wegglijden, van de tak af. Hij draait wat bij om naar beneden te kijken.
Hij durft niet te ver te draaien, om het evenwicht. Lieve Heer, de voet moet van beneden zichtbaar zijn. Hij wil hem optrekken, maar het gaat niet, het gaat niet. Hij spant zich ten uiterste in. Machteloos klauwt hij met de nagels tegen de stam. O God, geef kracht! De nevel pakt zich samen.
Duister.
Doek.
De vader heeft in gestrekte loop het poortje in de omheiningsmuur bereikt en slaat er tegen met de botte kant van het bijlblad. Het poortje vliegt open. Tierend rent hij af op het kleine huisje van Don Bosco. Buzzetti heeft hem horen komen en doet open. Hij kijkt in een gezicht dat alleen maar ogen is, brandende haatogen en een wilde gillende muil.
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #37 on: 11 October, 2009,; 15:32 »

HOOFDSTUK V


Don Bosco werpt zich in het gevecht en wordt door
Felice gebeten



ONTMOEDIGD en teleurgesteld laten de agenten hun prooi los, en Nando blijft hen uitdagend na staan kijken tot ze de hoek om zijn in Via Giulio. Voor de derde maal die avond raapt hij zijn spullen bijeen. Voor de derde maal giert een fluit. Michele en de Hinkepoot hebben van de gevechtspauze dankbaar gebruik gemaakt om hun manschappen te verzamelen en de orde te herstellen, alles volgens vaste tradities van de cocca’s. Eveneens volgens vaste traditie geeft dit snerpend gefluit nu het sein voor een nieuwe aanval over de gehele linie. Geen manoeuvres meer: een strijd met open vizier. Alles mag.
Nando zit er weer precies tussen: Michele stuurt de zijnen ten aanval vanuit Via San Leone.
L o  Z o p p o n e, de Hinkepoot, heeft krijgsraad gehouden in Via dei Bagni, allebei een slop, aan weerskanten van het gekkenhuis. In gestrekte draf, afgekeken van het beroemde corps der B e r s a g l i e r i, en gillende van V i v a
 l’I t a l i a!  A v a n t i  S a v o i a! komt de dichte drom van de Pallone-strijders aangehost. “Messen gebruiken,” heeft lo Zoppone bijtend gezegd. Ze begrijpen niet, waarom hij zo fel is. In Via San Leone is Michele achtergebleven om ’t verslag van Gigi Re ten einde toe aan te horen. Dan haalt hij, met veel omhaal, iets uit zijn zak. “Een pistool!” fluistert Gigi, vol splinternieuwe eerbied. Michele grijnst: “Bij de gasmeter gevonden. Er liep iemand hard weg, toen ik kwam: het was lo Zoppone in hoogsteigen persoon! Ik onderzocht het terrein, en wat dacht je? Daar lag een dronken soldaat. Lo Zoppone had hem zijn sabel afhandig gemaakt. Ik pakte de pistool maar.” Gigi vraagt: “Is tie geladen?” Michele knikt fronsend, en speelt met de haan. Gigi wijkt uit: “Pas op, idioot. Kun je er mee omgaan?“ Michele toont zich beledigd. Gigi zegt: “Dis daarom……” “Wat: daarom?” “Daarom zei de Hinkepoot dat je een…… was.” Op het horen van het onnoembare scheldwoord glinsteren Michele’s ogen gevaarlijk. Hij spant de haan. Hij zegt: “Zei hij dat?“ en trekt in looppas de Via San Leone uit.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Langs lantaarnpalen haast Don Bosco zich huistoe. De schoenlapper heeft hem niet wakker willen maken, maar het is, hoewel wat laat, een mooi contract geworden…… Don Bosco beweegt zijn lippen niet. Hij beweegt allen, langzaam, zijn voeten en een beetje zijn handen. Hij beweegt ook zijn lichaam, zoals de os die een ploeg door de vore trekt, onverzettelijk, onstuitbaar. Uit de verte reeds bemerkt hij dat er bij het gekkenhuis iets gaande is en hij verhaast zijn pas. Om de hoek slaat hem de volle laag van het lawaai in de oren.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Michele houdt zijn draf in op de Corso, waar men het slagveld kan overzien: de bende van Valdocco is op de terugtocht! Korzelig stelt hij een domme vraag: “Waarom is Botta er niet?“ Gigi haalt veelbetekenend zijn schouders op: “Hij zei, dat jij het wel wist.” Michele bijt zich op de lip. Die Don Bosco…… Alweer een post op de rekening voor later. Hij zoekt lo Zoppone. Staat die daar niet tegen het hek? Hij vraagt: “Wie staat daar tegen het hek?“ Gigi Re zegt, dat hij daar zojuist Nando heeft zien staan, Nando Pellitteri, van het Oratorium, ex-operaclub. “Hij of een ander,” bromt Michele. “waar is lo Zoppone?” Er sneuvelen ruiten. Stemmen van mannen protesteren en zwijgen. Maar daar schalt opeens een heldere stem over de Corso, hoog en bevelend: “Gooi die stenen neer!” Gigi Re zegt: “Dat is Don Bosco, wedden?” Michele vloekt nadrukkelijk en rent op zijn manschappen toe: “Hup Valdocco! Aanvallen!” Maar er kruipt een aarzeling door de gelederen. Nogmaals schalt de generaalsstem: “Gooi die stenen neer!”, dichterbij en snijdend. Zelfs Michele voelt het snijden door zijn borst, een kille eerbied. Verzet slaat naar zijn hoofd: hij wordt rood.
De Pallone gooit al niet meer. Iedereen kijkt naar een zwarte figuur, die de laatste stenen van de Valdocco-bende tart en recht doorloopt. “Gooi neer!” schalt Don Bosco. Michele strekt zijn arm en schiet zonder te mikken. De weeromstuit slaat hem het wapen bijna uit handen. De knal doet in een ogenblik het plein leegstromen. Bij het gaas ligt Nando als een bloedende vogel. Don Bosco begint er heen te rennen.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Het echtpaar Vireglio staat buiten het poortje onder een moerbeiboom te parlementeren. De vader voelt zich zwaar genomen. Men heeft hem verzekerd (Buzzetti heeft zeer krachtige taal gebruikt), dat zijn zoon niet in het Oratorium verborgen is. Maar de moeder is achter de vader aangesukkeld zo goed zo kwaad haar afmetingen dat toestonden. Zij sterkt hem in de overtuiging dat Felice nergens anders k a n zijn dan in het Oratorium. Zij begint hem te sarren en te verwijten, dat hij de jongen heeft laten lopen, en vader Vireglio deponeert de bijl tegen het heiningsmuurtje. Hij zegt: “Ik bega nog een ongeluk! Hoor je niet wat ik zeg? Ik liep een revolutie tegen het lijf bij het gekkenhuis.” Moeder zegt: “Je had het gekkenhuis in moeten gaan. Je ijlt! Er was géén revolutie toen ik voorbijkwam.” Vader schreeuwt: “De hemel sta me bij, of ik bega een ongeluk!” Hij neemt de hemel van een en ander tot getuige en daartoe schudt hij de vuisten hoog boven zijn hoofd en verheft hij zijn ogen, totdat heel de oogbal bijna wit is. Dan ziet hij iets aan de moerbeiboom…… Die ene tak lijkt net een schoen. Zijn vrouw zegt: “Jij wacht maar totdat die Don Bosco komt.”
De man zegt: “O ja? Dan wacht jij ook, of ik loop weg. Dacht je dat mij die jongen van jou iets kon schelen? Als ik hem hier had, ik vermorzelde hem. Ik maak hem nog eens dood! Jou trouwens ook!” De vrouw heft op haar beurt woedend haar armen naar de sterren (de eerste sterren pas), slaat haar ogen op en aarzelt even. Is dat een schoen? Haar vuist daalt bonkend neer op het hoofd van Vireglio Sr.
Dan spiedt ze de takken af. Een dode tak in de vorm van een schoen? De man brult van pijn, bukt zich naar de bijl, maar de vrouw schopt in één maal zijn pols beurs en de bijl opzij. Bovendien heeft ze zijn arm klem. Maar ze blijft onderzoekend naar het loof der moerbeiboom turen.
Ze hoort iets en draait het hoofd om. Moeizame, wankelende voetstappen. Er komt iemand aanlopen met een zware last. “Kijk,” zegt de vrouw, en ze laat haar man los. Scheef van vermoeienis, weggetrokken van de honger, torst Don Bosco Nando in zijn armen. Het echtpaar wordt er even stil van, maar zodra is Don Bosco het poortje niet in, of ze omringen hem met gekrijs als waren zij aasvogels en Nando een lijk. Nando is echter geen lijk. Don Bosco loopt zonder één woord te zeggen naar de deur, die al openstaat. Buzzetti is op het lawaai afgekomen. Don Bosco zegt: “Kijk eens wat ik gevonden heb. Haal moeder even…… Of wacht, neem de jongen zelf maar over. Voorzichtig. Hij is erg zwak. Een kogel rakelings door zijn hoofdhaar, maar hij is al verbonden. Leg hem op bed.” Onder de petroleumlamp licht het witte verband even op. Lichten de ogen op van Nando, die probeert Don Bosco na te kijken. Don Bosco gaat weer naar buiten.
Hij zegt, beleefd: “Wat is er van uw dienst?“ Vireglio zegt: “Ellendige toogvlegel! Je hebt mij mijn jongen afgesnoept! Jij hebt mijn jongen hier weggestopt! Maar je zult hem teruggeven, of ik haal de politie er bij.” Don Bosco zegt rustig: “Als hij er is, kunnen we dat binnen vragen. Ik ben de hele dag niet thuis geweest!” Vireglio brult: “Mooi smoesje! E die vrouw daar……” Don Bosco kijkt hem doordringend aan. Hij zegt: “Die juffrouw!” Vireglio zegt: “Juffrouw? Juffrouw?” Don Bosco zegt: “U kunt over mijn moeder met eerbied spreken, en anders zwijgen. Die juffrouw!” Vireglio voelt een kille tinteling die hem mak maakt. Hij zegt schaapachtig: “De juffrouw zegt vanzelf, dat Felice er niet is. Maar ik ben er zeker van, dat hij zich hier verstopt heeft!” Don Bosco zegt: “Als ik het goed begrijp, gaat het over Felice Vireglio? Als mijn moeder zegt, dat hij niet in huis is, dan heeft u dat te aanvaarden.” Vireglio zegt: “Om de dooie dood niet! Ik wil het zelf zien, ik wil het huis dóórzoeken. Dat heeft ze me trouwens beloofd, als u terugkwam.” Don Bosco zegt: “Signor Vireglio, u zult mijn huis niet inkomen, want ik moet u iets vertellen……” Don Bosco buigt zich naar hem over en fluistert.
Iedereen kent de wonderlijke uitwerking van de fluisterwoordjes van Don Bosco. De jongens van Turijn komen soms alleen naar het Oratorium met de bdoeling hun oor toe te steken aan Don Bosco, dan kan hij er een fluisterwoordje in zeggen. Men beweert, dat Don Bosco geheime zonden ziet en dat hij alles weet. Het effect van zo’n fluisterwoordje is altijd verbazingwekkend. Onverwacht. Er schijnt een openbaring gekomen te zijn in de geest van de toegesprokene, zo verheldert of verduistert zijn gezicht. Maar nog nooit heeft Don Bosco bij een van zijn jongens een dermate verbijsterend resultaat bereikt als nu bij signor Vireglio. De man krijgt een asgrauwe kleur: hij lijkt op slag jaren en jaren ouder. Snel strijkt hij zijn tong een paar maal over zijn plotseling verdroogde lippen, hetgeen hem iets mee geeft van een ratelslang. Hij slikt aleer hij hees kan smeken: “Don Bosco… Don Bosco… zeg dat tegen niemand… Breng me…” Don Bosco maakt een wegvagend handgebaar. Hij zegt: “Ik wil verder geen last van u hebben. U kunt me alleen nog komen opzoeken om te biechten. En ga nu maar gauw naar huis: u wordt ziek!” De vrouw heeft de bijl opgeraapt en met ondoorgrondelijk gezicht het laatste tafereeltje gadegeslagen. De man houdt zijn handen voor het gezicht en beeft als een riet: ze moet hem steunen, en terwijl ze hem wegvoert, zegt Don Bosco: “Ik heb medelijden met u. Het is uw schuld, signora…… Felice zal hier wel komen aankloppen vandaag of morgen. Dan neem ik hem in huis. U zult hem wel niet missen voorlopig. Als u hem gaat missen, komt u eens bij me. Dan kunnen we alles regelen.” De vrouw heeft zich weer om moeten keren naar Don Bosco, terwijl de man nog, bevend en onzeker, afgewend staat. Over het uitdrukkingsloze gezicht van die moeder loopt een stomme traan. Ze wijst met de bijl naar boven, naar de moerbeiboom. Ze draait zich om en het paar gaat moeilijk weg. Don Bosco ziet hen na. Zijn lippen bewegen niet, maar zijn handen zijn gevouwen. Hij heeft het niet goed begrepen, dat laatste gebaar. Hij gaat de keuken in.
Moeder Margriet heeft Nando op haar eigen bed gelegd: ze is een tobbe was water klaar aan het maken en overvalt haar priesterzoon met een schrobbering: “Don Bosco, Don Bosco,” zegt ze (tegen haar eigen zoon!), “wanneer leer je eindelijk je verstand eens gebruiken! Dat haalt maar jongens aan en waar moet ik ze in ’s hemelsnaam laten.” Don Bosco knipoogt tegen Nando, die hem bijna biddend aankijkt: “Ja, moeder,” zegt hij rouwmoedig, “u hebt gelijk. Ik zal die jongen maar weer op straat gooien…… Er uit met jou!” Maar nu komt Moeder Margriet met de armen over elkaar tussen hem en Nando staan. “Heb het hart eens,” zegt ze, “heb het hart eens om dat arme schaap eerst in een lekker warme keuken te brengen en dan weer…… Nee! En trouwens Don Zwanien, wat schiet ik er mee op? Of ik er nou een of twee onderdak moet verschaffen op het allerlaatste moment…… Heb jij al gegeten?” Maar Don Bosco vraagt beduusd: “Twee?” en hij kijkt zoekend de kamer rond. De binnendeur gaat open voor Buzzetti, die een vracht bakstenen aansleept. Hij zegt: “O Don Bosco, is u dat echtpaar kwijt? Ga dan maar gauw mee!” Hij laat de stenen in een hoek rollen en krijgt daar het nodige over te horen van Moeder. “Wacht even,” zegt Don Bosco, “er wordt hier in mijn eigen huis tegen mij samengezworen. Wat moeten die stenen, Moeder, en wat voor twee bedoelt u?” Moeder sjouwt met de wastobbe. Ze zegt: “Nieuwsgierigheid is de dood voor muizen.” En Buzzetti sleept Don Bosco aan de arm mee naar buiten, over de cour, tot onder de moerbeiboom. Nu kan ook Don Bosco de jongensschoen zien. Buzzetti zegt: “Dat is Felice! Ik heb hem er in zien klimmen, uit het bovenkamertje. Nou is de kust veilig.” Hij roept: “Felice! Felice! Kom er maar uit, hoor! Je vader en moeder zijn weg.” Geen antwoord.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

Moeder Margriet zet de wastobbe naast Nando zijn bed. De hoofdwonde is maar een schram, heeft ze geconstateerd, en ze heeft de doek er weer afgehaald. Ze gelooft in frisse lucht voor alle doeleinden. Ze zegt: “Je hoofd heb ik al gewassen, dus daar blijf je af. Maar de rest kun jij wassen. Hier heb je doeken en zeep.” Ze glimlacht en Nando straalt terug. Moeder Margriet gaat ook naar de moerbeiboom: ze is volledig ingelicht. Don Bosco heeft geroepen, dat Fé niet bang moet zijn. Zijn ouders zullen niet terug komen. Hij kan gerust uit de boom klimmen. Geen antwoord. De voet verroert niet. “Ik begrijp Felice niet,” zegt Don Bosco. “Haal een ladder, Beppe,” en Buzzetti gaat.
Moeder komt naast Don Bosco staan, bezorgd. Don Bosco zegt schalks: “En dan zeg ik nog wel tegen Vireglio, dat hij mijn moeder altijd kan geloven! Het is wat moois, hoor!” Moeder zegt: “Staat die moerbei soms binnenshuis? Felice is niet in huis geweest. Hij is alleen aan de deur naar je wezen vragen, drie keer. Dat heb je er van als je zo laat thuis komt. Of je nu ook gegeten had, vroeg ik?” Don Bosco zegt: “Nee, moeder, het is een schande…… Maar kijk die jongen nu toch eens aan. Ik ben er niets gerust op.” Moeder vraagt bezorgd: “O lieve Madonna, bescherm ons! Hij zal er toch niets van gekregen hebben?“
De ladder. Buzzetti plaatst meteen zijn voet op de onderste sport, maar Don Bosco schuift hem opzij. Zwijgend klimt hij omhoog. Vastgeklemd tussen een stamdikke vorktak, de armen uitgeslagen en de handen blijkbaar verkrampt in de takken, ziet hij een jongenslichaam schemeren, als ware het een gekruisigde. Don Bosco plaatst zijn voeten zo wijd mogelijk uiteen op de sport. Hij staat ter hoogte van de jongen en schudt hem bij zijn schouders. Felice zwaait wat heen en weer. Don Bosco roept: “Felice, Felice!” Hij schudt hem harder en tracht de rechterhand los te haken. Een schok vaart door het lichaam. Felice begint te gillen, hij slaat en krabt en bijt. Don Bosco deinst terug. De ladder wankeld. Don Bosco hangt één moment tussen hemel en aarde, maar reeds heeft Buzzetti de ladder gesteund en Don Bosco een tak vastgegrepen boven zijn hoofd. De ladder zwaait terug naar Felice, die zich gedraagt als een wilde kat. Met zijn linkerarm drukt Don Bosco de jongen tegen de takken, de jongensarmen neergestreken en gevleugeld onder zijn enorme spierkracht. Felice ontbloot de tanden en tracht te bijten. Don Bosco spreekt sussend: “Niet bang zijn, lieve jongen. Ik ben Don Bosco…… Don Bosco…… Don Bosco…… Je kent me toch wel, Felice? Kijk, ik heb een boord om…… Kalm, jongen, rustig…… Héé, niet bijten, dat voel ik…… Kom, Felice; ken je Don Bosco niet meer?……” De jongen wordt rustiger. Hij sluit de ogen. Er komt een diepe, diepe zucht en een dikke traan.
Gewillig laat hij zich nu opnemen en in zijn linkerarm draagt Don Bosco hem voorzichtig omlaag, waar Buzzetti hem met ontzag afwacht om Felice over te nemen. “Laat maar,” zegt Don Bosco en zijn moeder zegt hoofdschuddend dat het haar doet denken aan langgeleden, in Becchi. Bij de ingang van het huis klemt Felice zich plotseling wanhopig aan Don Bosco vast.
…   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …   …

In de lage keuken, met zijn zwartberookte draagbalken en binten zit Don Bosco te lepelen, zonder aandacht voor wat hij tussen zijn tanden krijgt. Moeder let daar niet eens meer op. Onder de petroleumlamp is zij bezig met Nando’s kleren en vanaf h a a r  legerstede kijkt Nando verzaligd toe, met soms een lange blikt naar een donkere hoek. Op vier stapeltjes bakstenen en twee planken ligt daar de strozak van Felice. Die heeft Nando nog aangekeken, vlak voor hij insliep: zijn stralende glimlach is ondergegaan, maar schemert na en hij heeft geen tijd meer gehad om een traan af te drogen. Buzzetti zit bij Don Bosco aan tafel, kin op zijn handen, te leunen. “Vorige week,” fluistert hij, “waren er in Portanuova zeker achthonderd jongens. Dat maakt samen tweeduizend, als we alles en alles meerekenen, ook de jongens die zich alleen af en toe laten zien. Dat is effetjes wat!” Don Bosco zegt: “Het is om jaloers op te worden voor Zwarte Piet…… Die gaat er zeker zijn staart tussen steken. Buzzetti, jongen, het wordt morgen een gevaarlijke dag, wat ik je brom. Ah, die gezegende politiek, die politiek!”
Don Bosco schudt het hoofd, en schuift het bord weg. Hij knipoogt tegen Nando, en merkt dan pas, dat de jongen alleen maar glimlacht in zijn slaap. Op hun tenen verlaten de mannen het vertrek.
 
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #38 on: 19 October, 2009,; 18:57 »

P   A   U   Z   E
Logged

Niet meer actief op het forum.
Pages: 1 2 [3]   Go Up
  Print  
 
Jump to:  


Powered by SMF 1.1.13 | SMF © 2006-2011, Simple Machines LLC  •  Endless Mc by: © 2009, Crip