|
Salve Regina
|
 |
« Reply #37 on: 11 October, 2009,; 15:32 » |
|
HOOFDSTUK V
Don Bosco werpt zich in het gevecht en wordt door Felice gebeten
ONTMOEDIGD en teleurgesteld laten de agenten hun prooi los, en Nando blijft hen uitdagend na staan kijken tot ze de hoek om zijn in Via Giulio. Voor de derde maal die avond raapt hij zijn spullen bijeen. Voor de derde maal giert een fluit. Michele en de Hinkepoot hebben van de gevechtspauze dankbaar gebruik gemaakt om hun manschappen te verzamelen en de orde te herstellen, alles volgens vaste tradities van de cocca’s. Eveneens volgens vaste traditie geeft dit snerpend gefluit nu het sein voor een nieuwe aanval over de gehele linie. Geen manoeuvres meer: een strijd met open vizier. Alles mag. Nando zit er weer precies tussen: Michele stuurt de zijnen ten aanval vanuit Via San Leone. L o Z o p p o n e, de Hinkepoot, heeft krijgsraad gehouden in Via dei Bagni, allebei een slop, aan weerskanten van het gekkenhuis. In gestrekte draf, afgekeken van het beroemde corps der B e r s a g l i e r i, en gillende van V i v a l’I t a l i a! A v a n t i S a v o i a! komt de dichte drom van de Pallone-strijders aangehost. “Messen gebruiken,” heeft lo Zoppone bijtend gezegd. Ze begrijpen niet, waarom hij zo fel is. In Via San Leone is Michele achtergebleven om ’t verslag van Gigi Re ten einde toe aan te horen. Dan haalt hij, met veel omhaal, iets uit zijn zak. “Een pistool!” fluistert Gigi, vol splinternieuwe eerbied. Michele grijnst: “Bij de gasmeter gevonden. Er liep iemand hard weg, toen ik kwam: het was lo Zoppone in hoogsteigen persoon! Ik onderzocht het terrein, en wat dacht je? Daar lag een dronken soldaat. Lo Zoppone had hem zijn sabel afhandig gemaakt. Ik pakte de pistool maar.” Gigi vraagt: “Is tie geladen?” Michele knikt fronsend, en speelt met de haan. Gigi wijkt uit: “Pas op, idioot. Kun je er mee omgaan?“ Michele toont zich beledigd. Gigi zegt: “Dis daarom……” “Wat: daarom?” “Daarom zei de Hinkepoot dat je een…… was.” Op het horen van het onnoembare scheldwoord glinsteren Michele’s ogen gevaarlijk. Hij spant de haan. Hij zegt: “Zei hij dat?“ en trekt in looppas de Via San Leone uit. … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … …
Langs lantaarnpalen haast Don Bosco zich huistoe. De schoenlapper heeft hem niet wakker willen maken, maar het is, hoewel wat laat, een mooi contract geworden…… Don Bosco beweegt zijn lippen niet. Hij beweegt allen, langzaam, zijn voeten en een beetje zijn handen. Hij beweegt ook zijn lichaam, zoals de os die een ploeg door de vore trekt, onverzettelijk, onstuitbaar. Uit de verte reeds bemerkt hij dat er bij het gekkenhuis iets gaande is en hij verhaast zijn pas. Om de hoek slaat hem de volle laag van het lawaai in de oren. … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … …
Michele houdt zijn draf in op de Corso, waar men het slagveld kan overzien: de bende van Valdocco is op de terugtocht! Korzelig stelt hij een domme vraag: “Waarom is Botta er niet?“ Gigi haalt veelbetekenend zijn schouders op: “Hij zei, dat jij het wel wist.” Michele bijt zich op de lip. Die Don Bosco…… Alweer een post op de rekening voor later. Hij zoekt lo Zoppone. Staat die daar niet tegen het hek? Hij vraagt: “Wie staat daar tegen het hek?“ Gigi Re zegt, dat hij daar zojuist Nando heeft zien staan, Nando Pellitteri, van het Oratorium, ex-operaclub. “Hij of een ander,” bromt Michele. “waar is lo Zoppone?” Er sneuvelen ruiten. Stemmen van mannen protesteren en zwijgen. Maar daar schalt opeens een heldere stem over de Corso, hoog en bevelend: “Gooi die stenen neer!” Gigi Re zegt: “Dat is Don Bosco, wedden?” Michele vloekt nadrukkelijk en rent op zijn manschappen toe: “Hup Valdocco! Aanvallen!” Maar er kruipt een aarzeling door de gelederen. Nogmaals schalt de generaalsstem: “Gooi die stenen neer!”, dichterbij en snijdend. Zelfs Michele voelt het snijden door zijn borst, een kille eerbied. Verzet slaat naar zijn hoofd: hij wordt rood. De Pallone gooit al niet meer. Iedereen kijkt naar een zwarte figuur, die de laatste stenen van de Valdocco-bende tart en recht doorloopt. “Gooi neer!” schalt Don Bosco. Michele strekt zijn arm en schiet zonder te mikken. De weeromstuit slaat hem het wapen bijna uit handen. De knal doet in een ogenblik het plein leegstromen. Bij het gaas ligt Nando als een bloedende vogel. Don Bosco begint er heen te rennen. … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … …
Het echtpaar Vireglio staat buiten het poortje onder een moerbeiboom te parlementeren. De vader voelt zich zwaar genomen. Men heeft hem verzekerd (Buzzetti heeft zeer krachtige taal gebruikt), dat zijn zoon niet in het Oratorium verborgen is. Maar de moeder is achter de vader aangesukkeld zo goed zo kwaad haar afmetingen dat toestonden. Zij sterkt hem in de overtuiging dat Felice nergens anders k a n zijn dan in het Oratorium. Zij begint hem te sarren en te verwijten, dat hij de jongen heeft laten lopen, en vader Vireglio deponeert de bijl tegen het heiningsmuurtje. Hij zegt: “Ik bega nog een ongeluk! Hoor je niet wat ik zeg? Ik liep een revolutie tegen het lijf bij het gekkenhuis.” Moeder zegt: “Je had het gekkenhuis in moeten gaan. Je ijlt! Er was géén revolutie toen ik voorbijkwam.” Vader schreeuwt: “De hemel sta me bij, of ik bega een ongeluk!” Hij neemt de hemel van een en ander tot getuige en daartoe schudt hij de vuisten hoog boven zijn hoofd en verheft hij zijn ogen, totdat heel de oogbal bijna wit is. Dan ziet hij iets aan de moerbeiboom…… Die ene tak lijkt net een schoen. Zijn vrouw zegt: “Jij wacht maar totdat die Don Bosco komt.” De man zegt: “O ja? Dan wacht jij ook, of ik loop weg. Dacht je dat mij die jongen van jou iets kon schelen? Als ik hem hier had, ik vermorzelde hem. Ik maak hem nog eens dood! Jou trouwens ook!” De vrouw heft op haar beurt woedend haar armen naar de sterren (de eerste sterren pas), slaat haar ogen op en aarzelt even. Is dat een schoen? Haar vuist daalt bonkend neer op het hoofd van Vireglio Sr. Dan spiedt ze de takken af. Een dode tak in de vorm van een schoen? De man brult van pijn, bukt zich naar de bijl, maar de vrouw schopt in één maal zijn pols beurs en de bijl opzij. Bovendien heeft ze zijn arm klem. Maar ze blijft onderzoekend naar het loof der moerbeiboom turen. Ze hoort iets en draait het hoofd om. Moeizame, wankelende voetstappen. Er komt iemand aanlopen met een zware last. “Kijk,” zegt de vrouw, en ze laat haar man los. Scheef van vermoeienis, weggetrokken van de honger, torst Don Bosco Nando in zijn armen. Het echtpaar wordt er even stil van, maar zodra is Don Bosco het poortje niet in, of ze omringen hem met gekrijs als waren zij aasvogels en Nando een lijk. Nando is echter geen lijk. Don Bosco loopt zonder één woord te zeggen naar de deur, die al openstaat. Buzzetti is op het lawaai afgekomen. Don Bosco zegt: “Kijk eens wat ik gevonden heb. Haal moeder even…… Of wacht, neem de jongen zelf maar over. Voorzichtig. Hij is erg zwak. Een kogel rakelings door zijn hoofdhaar, maar hij is al verbonden. Leg hem op bed.” Onder de petroleumlamp licht het witte verband even op. Lichten de ogen op van Nando, die probeert Don Bosco na te kijken. Don Bosco gaat weer naar buiten. Hij zegt, beleefd: “Wat is er van uw dienst?“ Vireglio zegt: “Ellendige toogvlegel! Je hebt mij mijn jongen afgesnoept! Jij hebt mijn jongen hier weggestopt! Maar je zult hem teruggeven, of ik haal de politie er bij.” Don Bosco zegt rustig: “Als hij er is, kunnen we dat binnen vragen. Ik ben de hele dag niet thuis geweest!” Vireglio brult: “Mooi smoesje! E die vrouw daar……” Don Bosco kijkt hem doordringend aan. Hij zegt: “Die juffrouw!” Vireglio zegt: “Juffrouw? Juffrouw?” Don Bosco zegt: “U kunt over mijn moeder met eerbied spreken, en anders zwijgen. Die juffrouw!” Vireglio voelt een kille tinteling die hem mak maakt. Hij zegt schaapachtig: “De juffrouw zegt vanzelf, dat Felice er niet is. Maar ik ben er zeker van, dat hij zich hier verstopt heeft!” Don Bosco zegt: “Als ik het goed begrijp, gaat het over Felice Vireglio? Als mijn moeder zegt, dat hij niet in huis is, dan heeft u dat te aanvaarden.” Vireglio zegt: “Om de dooie dood niet! Ik wil het zelf zien, ik wil het huis dóórzoeken. Dat heeft ze me trouwens beloofd, als u terugkwam.” Don Bosco zegt: “Signor Vireglio, u zult mijn huis niet inkomen, want ik moet u iets vertellen……” Don Bosco buigt zich naar hem over en fluistert. Iedereen kent de wonderlijke uitwerking van de fluisterwoordjes van Don Bosco. De jongens van Turijn komen soms alleen naar het Oratorium met de bdoeling hun oor toe te steken aan Don Bosco, dan kan hij er een fluisterwoordje in zeggen. Men beweert, dat Don Bosco geheime zonden ziet en dat hij alles weet. Het effect van zo’n fluisterwoordje is altijd verbazingwekkend. Onverwacht. Er schijnt een openbaring gekomen te zijn in de geest van de toegesprokene, zo verheldert of verduistert zijn gezicht. Maar nog nooit heeft Don Bosco bij een van zijn jongens een dermate verbijsterend resultaat bereikt als nu bij signor Vireglio. De man krijgt een asgrauwe kleur: hij lijkt op slag jaren en jaren ouder. Snel strijkt hij zijn tong een paar maal over zijn plotseling verdroogde lippen, hetgeen hem iets mee geeft van een ratelslang. Hij slikt aleer hij hees kan smeken: “Don Bosco… Don Bosco… zeg dat tegen niemand… Breng me…” Don Bosco maakt een wegvagend handgebaar. Hij zegt: “Ik wil verder geen last van u hebben. U kunt me alleen nog komen opzoeken om te biechten. En ga nu maar gauw naar huis: u wordt ziek!” De vrouw heeft de bijl opgeraapt en met ondoorgrondelijk gezicht het laatste tafereeltje gadegeslagen. De man houdt zijn handen voor het gezicht en beeft als een riet: ze moet hem steunen, en terwijl ze hem wegvoert, zegt Don Bosco: “Ik heb medelijden met u. Het is uw schuld, signora…… Felice zal hier wel komen aankloppen vandaag of morgen. Dan neem ik hem in huis. U zult hem wel niet missen voorlopig. Als u hem gaat missen, komt u eens bij me. Dan kunnen we alles regelen.” De vrouw heeft zich weer om moeten keren naar Don Bosco, terwijl de man nog, bevend en onzeker, afgewend staat. Over het uitdrukkingsloze gezicht van die moeder loopt een stomme traan. Ze wijst met de bijl naar boven, naar de moerbeiboom. Ze draait zich om en het paar gaat moeilijk weg. Don Bosco ziet hen na. Zijn lippen bewegen niet, maar zijn handen zijn gevouwen. Hij heeft het niet goed begrepen, dat laatste gebaar. Hij gaat de keuken in. Moeder Margriet heeft Nando op haar eigen bed gelegd: ze is een tobbe was water klaar aan het maken en overvalt haar priesterzoon met een schrobbering: “Don Bosco, Don Bosco,” zegt ze (tegen haar eigen zoon!), “wanneer leer je eindelijk je verstand eens gebruiken! Dat haalt maar jongens aan en waar moet ik ze in ’s hemelsnaam laten.” Don Bosco knipoogt tegen Nando, die hem bijna biddend aankijkt: “Ja, moeder,” zegt hij rouwmoedig, “u hebt gelijk. Ik zal die jongen maar weer op straat gooien…… Er uit met jou!” Maar nu komt Moeder Margriet met de armen over elkaar tussen hem en Nando staan. “Heb het hart eens,” zegt ze, “heb het hart eens om dat arme schaap eerst in een lekker warme keuken te brengen en dan weer…… Nee! En trouwens Don Zwanien, wat schiet ik er mee op? Of ik er nou een of twee onderdak moet verschaffen op het allerlaatste moment…… Heb jij al gegeten?” Maar Don Bosco vraagt beduusd: “Twee?” en hij kijkt zoekend de kamer rond. De binnendeur gaat open voor Buzzetti, die een vracht bakstenen aansleept. Hij zegt: “O Don Bosco, is u dat echtpaar kwijt? Ga dan maar gauw mee!” Hij laat de stenen in een hoek rollen en krijgt daar het nodige over te horen van Moeder. “Wacht even,” zegt Don Bosco, “er wordt hier in mijn eigen huis tegen mij samengezworen. Wat moeten die stenen, Moeder, en wat voor twee bedoelt u?” Moeder sjouwt met de wastobbe. Ze zegt: “Nieuwsgierigheid is de dood voor muizen.” En Buzzetti sleept Don Bosco aan de arm mee naar buiten, over de cour, tot onder de moerbeiboom. Nu kan ook Don Bosco de jongensschoen zien. Buzzetti zegt: “Dat is Felice! Ik heb hem er in zien klimmen, uit het bovenkamertje. Nou is de kust veilig.” Hij roept: “Felice! Felice! Kom er maar uit, hoor! Je vader en moeder zijn weg.” Geen antwoord. … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … …
Moeder Margriet zet de wastobbe naast Nando zijn bed. De hoofdwonde is maar een schram, heeft ze geconstateerd, en ze heeft de doek er weer afgehaald. Ze gelooft in frisse lucht voor alle doeleinden. Ze zegt: “Je hoofd heb ik al gewassen, dus daar blijf je af. Maar de rest kun jij wassen. Hier heb je doeken en zeep.” Ze glimlacht en Nando straalt terug. Moeder Margriet gaat ook naar de moerbeiboom: ze is volledig ingelicht. Don Bosco heeft geroepen, dat Fé niet bang moet zijn. Zijn ouders zullen niet terug komen. Hij kan gerust uit de boom klimmen. Geen antwoord. De voet verroert niet. “Ik begrijp Felice niet,” zegt Don Bosco. “Haal een ladder, Beppe,” en Buzzetti gaat. Moeder komt naast Don Bosco staan, bezorgd. Don Bosco zegt schalks: “En dan zeg ik nog wel tegen Vireglio, dat hij mijn moeder altijd kan geloven! Het is wat moois, hoor!” Moeder zegt: “Staat die moerbei soms binnenshuis? Felice is niet in huis geweest. Hij is alleen aan de deur naar je wezen vragen, drie keer. Dat heb je er van als je zo laat thuis komt. Of je nu ook gegeten had, vroeg ik?” Don Bosco zegt: “Nee, moeder, het is een schande…… Maar kijk die jongen nu toch eens aan. Ik ben er niets gerust op.” Moeder vraagt bezorgd: “O lieve Madonna, bescherm ons! Hij zal er toch niets van gekregen hebben?“ De ladder. Buzzetti plaatst meteen zijn voet op de onderste sport, maar Don Bosco schuift hem opzij. Zwijgend klimt hij omhoog. Vastgeklemd tussen een stamdikke vorktak, de armen uitgeslagen en de handen blijkbaar verkrampt in de takken, ziet hij een jongenslichaam schemeren, als ware het een gekruisigde. Don Bosco plaatst zijn voeten zo wijd mogelijk uiteen op de sport. Hij staat ter hoogte van de jongen en schudt hem bij zijn schouders. Felice zwaait wat heen en weer. Don Bosco roept: “Felice, Felice!” Hij schudt hem harder en tracht de rechterhand los te haken. Een schok vaart door het lichaam. Felice begint te gillen, hij slaat en krabt en bijt. Don Bosco deinst terug. De ladder wankeld. Don Bosco hangt één moment tussen hemel en aarde, maar reeds heeft Buzzetti de ladder gesteund en Don Bosco een tak vastgegrepen boven zijn hoofd. De ladder zwaait terug naar Felice, die zich gedraagt als een wilde kat. Met zijn linkerarm drukt Don Bosco de jongen tegen de takken, de jongensarmen neergestreken en gevleugeld onder zijn enorme spierkracht. Felice ontbloot de tanden en tracht te bijten. Don Bosco spreekt sussend: “Niet bang zijn, lieve jongen. Ik ben Don Bosco…… Don Bosco…… Don Bosco…… Je kent me toch wel, Felice? Kijk, ik heb een boord om…… Kalm, jongen, rustig…… Héé, niet bijten, dat voel ik…… Kom, Felice; ken je Don Bosco niet meer?……” De jongen wordt rustiger. Hij sluit de ogen. Er komt een diepe, diepe zucht en een dikke traan. Gewillig laat hij zich nu opnemen en in zijn linkerarm draagt Don Bosco hem voorzichtig omlaag, waar Buzzetti hem met ontzag afwacht om Felice over te nemen. “Laat maar,” zegt Don Bosco en zijn moeder zegt hoofdschuddend dat het haar doet denken aan langgeleden, in Becchi. Bij de ingang van het huis klemt Felice zich plotseling wanhopig aan Don Bosco vast. … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … …
In de lage keuken, met zijn zwartberookte draagbalken en binten zit Don Bosco te lepelen, zonder aandacht voor wat hij tussen zijn tanden krijgt. Moeder let daar niet eens meer op. Onder de petroleumlamp is zij bezig met Nando’s kleren en vanaf h a a r legerstede kijkt Nando verzaligd toe, met soms een lange blikt naar een donkere hoek. Op vier stapeltjes bakstenen en twee planken ligt daar de strozak van Felice. Die heeft Nando nog aangekeken, vlak voor hij insliep: zijn stralende glimlach is ondergegaan, maar schemert na en hij heeft geen tijd meer gehad om een traan af te drogen. Buzzetti zit bij Don Bosco aan tafel, kin op zijn handen, te leunen. “Vorige week,” fluistert hij, “waren er in Portanuova zeker achthonderd jongens. Dat maakt samen tweeduizend, als we alles en alles meerekenen, ook de jongens die zich alleen af en toe laten zien. Dat is effetjes wat!” Don Bosco zegt: “Het is om jaloers op te worden voor Zwarte Piet…… Die gaat er zeker zijn staart tussen steken. Buzzetti, jongen, het wordt morgen een gevaarlijke dag, wat ik je brom. Ah, die gezegende politiek, die politiek!” Don Bosco schudt het hoofd, en schuift het bord weg. Hij knipoogt tegen Nando, en merkt dan pas, dat de jongen alleen maar glimlacht in zijn slaap. Op hun tenen verlaten de mannen het vertrek.
|