"Door het recht uitgesloten" ben je vooral na een uitspraak door een kerkelijke rechtbank, lijkt me, maar ook bij het "halsstarrig volharden in een zware zonde die bekend is".
Bijna. Door het recht uitgesloten ben je als je op grond van de wet (de CIC, het kerkelijk wetboek) of plaatselijke verordeningen (dwz regelgeving van de bisschoppenconferentie e.d.) bent uitgesloten. Bijvoorbeeld na een strafoplegging door de kerkelijke rechtbank, of doordat je hebt meegewerkt aan een abortus.
Het halsstarrig volharden in een zware zonde die bekend is, is op zichzelf geen situatie waarbij je door het recht bent uitgesloten.
In feite beoogt can. 915 twéé situaties te ondervangen:
1. uitsluiting als onderdeel van een kerkelijke straf ("door het recht...")
2. uitsluiting ter voorkoming van ergernis, een soort orde-handhaving
De zware zonde moet dus bekend zijn bij gelovige en priester, en beiden moeten er dan ook van overtuigd zijn dat die halsstarrig word volgehouden.
Weer bijna

de zware zonde moet
publiek bekend zijn. Bekendheid bij de bedienaar van de H. Communie kan, zeker als het een priester is, ook volgen uit de biecht. Maar ook pastorale gesprekken of andere bronnen zijn denkbaar. De bedienaar mag de gelovige niet forceren zijn zondige staat publiek te maken door de H. Communie te weigeren.
Of de gelovige zelf overtuigd moet zijn van zijn zondige staat valt te bezien. Dat zou immers een juridisch wat rare figuur opleveren. Waarom moet je iets weigeren, als de gelovige zelf al bewust is van zijn staat van zware zonde? Zoiets veronderstelt een goed gevormd geweten, en dat kan weer slechts resulteren in de wens van de gelovige om
niet te communie te gaan. Maar can. 915 ziet op de situatie dat de gelovige
wel te communie wil gaan. Dan mag je aannemen dat deze zich onvoldoende bewust is van de zondigheid van de halsstarrig volgehouden zonde.
En als ik het goed begrijp moet de communie gewoon worden uitgereikt als die overtuiging er niet is, volgens de regels van Can. 912.
De H. Communie moet worden uitgereikt aan iedere gedoopte, behalve onder de omstandigheden volgens can. 915.
Waar het in deze wetgeving om draait is dat de weigering van de H. Communie nooit in zichzelf een strafmaatregel mag zijn, terwijl het tevens nooit aan de bedienaar van de H. Communie toekomt een dergelijke sanctie op te leggen. Daar is de H. Communie simpelweg niet voor bedoeld, en het zou een ontheiliging van de H. Communie zijn deze daar wel voor te misbruiken. Onze Lieve Heer stierf voor allen die Zijn offer wilden aannemen, en iedere gedoopte is een kind van God dat vrij toegang heeft tot Zijn koninkrijk. De taak van de Kerk is het heil te bemiddelen, niet het heil tot middel van sanctionering te maken. Dat is het hoofdmotief. De bescherming van het gelovig volk tegen ergernis is niet onbelangrijk, maar wel secundair. Het recht van de Kerk sancties op te leggen, en zo mensen uit te sluiten van de H. Communie is in feite een afgeleide van het recht van de Kerk om mensen uit te sluiten van de communie, de gemeenschap.
Dat is een subtiel, maar niet onbelangrijk onderscheid. Zelfs de zwaarste straf in de Kerk, de excommunicatie, ziet op de uitsluiting uit de gemeenschap, terwijl de uitsluiting van de sacramenten in feite een bijgevolg is. In stervensgevaar vervallen dergelijke uitsluitingen voor een belangrijk deel dan ook. Want hoewel de Kerk in uitzonderlijke gevallen wel moet uitsluiten van de gemeenschap, sluit zij
nooit vrijwillig mensen uit van het heil.
Zonder Lathund nu de oren te willen wassen, want ik snap zijn/haar oprechte verzuchting heel goed, maar het zou goed zijn altijd voor ogen te houden dat Onze Lieve Heer
zelf gekozen heeft zich te laten onteren en beledigen, te laten martelen en vermoorden, tot ons aller heil. Wij zijn allen zondaars, en het past ons niet onze medegelovigen en medezondaars de toegang tot de Heer te ontzeggen, omdat we Hem willen behoeden voor een belediging en ontering die Hij zelf duizendvoudig gezocht heeft. Als ik zo vrij mag zijn een advies te geven: als je ziet of ervaart hoe Hij door mensen, gelovig of ongelovig, in de H. Communie onteerd wordt, bid dan tot eerherstel, maar bid ook voor de verantwoordelijken om vergeving, want zij weten niet wat zij doen. En bid ook voor jezelf, dat ieder oordeel over anderen uit je hart mag verdwijnen, opdat je ook zelf niet geoordeeld zal worden.