Pages: [1]   Go Down
  Print  
Author Topic: Uit SR's boekenkast: Ben Hur  (Read 358 times)
0 Members and 1 Guest are viewing this topic.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« on: 29 May, 2010,; 19:00 »

LEWIS WALLACE


BEN HUR






Tweede druk 1978


Uitgeverij Van Goor Zonen Den Haag
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #1 on: 29 May, 2010,; 19:03 »

INLEIDING

De Amerikaanse schrijver Lewis Wallace heeft een boek ge-
schreven over de tijd van de omwandeling van de Here Jezus
op aarde. Hij heeft dit zo gedaan, dat hij alles, wat de Here zelf
betreft, heel sober heeft gegeven en niet met zijn fantasie heeft
omhangen. Hij vertelt alleen wat de Schrift ook vermeldt,
maar heel duidelijk lezen wij in dit verhaal hoe de mensen in die
tijd leefden en dachten. Wie dit boek heeft gelezen, kan het
Bijbelverhaal beter begrijpen. Het is daarom ook voor de jeugd
van tien jaar en ouder een zeer leerzaam en tegelijk zeer boeiend boek.
Logged

Niet meer actief op het forum.
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #2 on: 29 May, 2010,; 19:15 »

HOOFDSTUK 1

DE DRIE REIZIGERS

Het was ongeveer in de tijd dat onze jaartelling begint, dat een statige witte kameel aan de rand van de woestijn in West-Palestina tevoorschijn kwam. Op zijn rug droeg het dier een reistent, een soort draagstoel met baldakijn en gordijntjes. Een reiziger zat erin, rustig dommelend. Hij deed geen moeite de kameel enige richting aan te geven, maar liet het dier aan zijn lot over. Meer dan vier uur werd de tocht op deze manier voortgezet en juist toen de zon haar hoogste punt had bereikt, bleef de kameel staan en slaakte een kreet, waardoor zijn meester ontwaakte.
“Eindelijk, eindelijk,” fluisterde de vreemdeling. Hij gaf de kameel een teken om te knielen, zette zijn voet op de slanke nek en sprong op de grond. De man was niet groot, maar toch flink van postuur. Zijn gezicht was donkerbruin en het brede lage voorhoofd, de arendsneus en het lange glanzende haar, deden hem kennen als een Egyptenaar.
Hij droeg een lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd. Daaroverheen had hij een bruin wollen bovenkleed, dat met gekleurde zijde was gevoerd. Aan de voeten droeg hij sandalen. Hij reisde helemaal alleen en dit was een bewijs van moed en vertrouwen, want in de streek waar hij doorheen getrokken was, leefden roofdieren, zoals leeuwen en luipaarden.
Stijf geworden door de lange rit, begon de man heen en weer te wandelen, telkens onderzoekend om zich heen kijkend.
Hij zag niets bijzonders en ging nu zijn tent op het zand uitzetten, legde een tapijt op de grond en ging daarna zijn kameel met bonen voeden.
“Zij zullen komen! Hij, die mij heeft geleid, leidt ook hen. Ik zal alles vast klaarmaken,” mompelde hij. Uit zijn reiskoffer haalde hij de benodigdheden voor een maaltijd: borden uit palmbladeren gevlochten, wijn in kleine lederen zakken en gedroogd schapevlees, Syrische granaatappels, Arabische dadels, kaas, brood, enzovoorts. Alles schikte hij zorgvuldig op het tapijt en legde er toen ook drie zijden servetten bij, waaruit bleek, dat hij twee gasten verwachtte.
Toen alles zover klaar was ging hij weer naar buiten, tuurde in de verte en zag plotseling aan de horizon een donkere stip. De stip werd langzaamaan groter en bleek een witte kameel te zijn, met een houdah, een reistent van een Hindoe, op de rug.
De vreemdeling kwam nu dichterbij en ten slotte stond zijn kameel stil bij de tent. Ook de tweede reiziger leek als uit een droom te ontwaken. Hij klom van zijn rijdier en liep op de Egyptenaar toe.
“Vrede zij u, dienaar van de ware God!” sprak hij.
“En ook vrede aan u,” antwoordde de Egyptenaar.
De pas aangekomene was lang en mager, zijn ogen lagen diep in de kassen en zijn hoofdhaar en baard waren wit. Zijn huidskleur was geelachtig bruin en zijn kleding deed hem kennen als een Indiër.
“Kijk,” zei de Egyptenaar nu, “daar komt onze tochtgenoot ook aan.” Hij wees naar het noorden, waar een kameel zichtbaar werd.
De derde reiziger bleek een heel ander type te zijn dan zijn vrienden. Hij was fijner gebouwd, zijn gelaatskleur was blank, zijn haar blond en zijn ogen blauw. Hij was blootshoofds en, evenals de anderen, ongewapend. Hij was ongeveer vijftig jaar oud en zijn hele uiterlijk was kenmerkend voor een Griek.
Na de begroeting zei de Egyptenaar: ”Ik was hier het eerst, aan mij dus de eer, uw dienaar te zijn!”
Nu sloeg hij de tentvoorhang opzij en nodigde de beide anderen aan de maaltijd, die hij opende met een gebed.

Het was in de maand december van het Romeinse jaar 747, dat deze drie reizigers elkaar ontmoetten.
De winter heerste over alle gewesten ten oosten van de Middellandse Zee.
De lange rit door de woestijn had hen hongerig gemaakt; ze aten dan ook gretig van het maal en nadat ze de wijn hadden gedronken, begonnen ze elkaar hun reisverhaal te doen. Het eerst begon de Griek te vertellen.
“Ik kom uit Griekenland,” zei hij. “Ik ben Caspar, de zoon van Kleanthes de Athener. De studie was van jongsaf mijn lust en mijn leven. Twee wijsgeren leerden mij twee dingen, die een ommekeer in mijn leven hebben gebracht. De ene leerde mij, dat ieder mens een onsterfelijke ziel heeft en de ander, dat er slechts één God is, volmaakt rechtvaardig. Al het andere vond ik de moeite niet waard, maar over die twee belangrijke waarheden dacht ik lang en diep na. Om dat rustiger te kunnen doen, ontvluchtte ik de stad…en ging wonen in een hol aan de zuidoostkant van de berg Olympus. Van daar uit keek ik over de zee en op zekere dag zag ik een voorbijzeilend schip, waarvan een man overboord was gevallen. Zwemmend bereikte hij de kust. Hij bleek een Jood te zijn, die goed was onderwezen in de geschiedenis en de wetten van zijn volk. Hij wist veel te vertellen over God en hij leerde mij, dat er voorspeld was, dat God eens weer op aarde zou komen, en dat die komst nabij was. In Jeruzalem keek men er dagelijks naar uit. Hij zei echter, dat die komst alleen voor de Joden, als uitverkoren volk, zou zijn. Dat drukte me, ik kon het niet geloven en dacht er diep over na. Tenslotte begreep ik dat de Joden uitverkoren waren, om de waarheid te bewaren, opdat die later aan de hele wereld bekend zou worden. Toen ik weer alleen was, bad ik vurig dat ik het geluk mocht hebben die Koning, als Hij kwam, te zien en te aanbidden.
Op zekere avond zat ik voor mijn spelonk uit te kijken over de zee, toen ik plotseling een ster zag fonkelen. Langzaam steeg zij hoger, tot ze ten slotte boven mijn hoofd stond. Ik viel in slaap en in mijn droom hoorde ik een stem, die zei: “Caspar, uitverkorene, uw geloof heeft overwonnen! Met twee anderen, die van de uiterste einden der aarde komen, zult u Hem zien en van Hem getuigen. Vroeg in de morgen moet u opstaan en hen tegemoet reizen. Vertrouw op de Geest, die u leiden zal.”
Toen ik wakker werd maakte ik mij reisvaardig, nam een schat mee en riep een voorbijzeilend schip aan, dat mij naar Antiochië bracht. Daar kocht ik een kameel met toebehoren en reisde zo naar hier. Dit, vrienden, is mijn verhaal. Nu zou ik graag het uwe willen horen.”
De Hindoe nam nu het woord.
“Mijn naam is Melchior,” zo begon hij, “en ik ben opgevoed bij de wijsheid van de heilige boeken, de Veda’s. Als Brahmaan moest ik mij strikt aan de voorschriften houden, anders zou mijn ziel worden gestraft. Toen mijn studietijd voorbij was, werd ik toegelaten tot de tweede orde. Dat betekende dat ik mocht trouwen. Ik begon naar alles een onderzoek in te stellen en na jarenlange studie kwam ik tot de overtuiging, dat de liefde de enige band is tussen God en de ziel. Ik reisde de Ganges langs, tot de plaats waar hij in de Indische oceaan uitmondt en hoopte rust te vinden in de schaduw van de tempel, die aan Kapila is gewijd. Twee maal per jaar kwamen daar de pelgrims en ik trok mij hun ellende erg aan. Maar ik mocht ze geen liefdediensten bewijzen, want als ik dat deed, zou ik worden verstoten.
Maar ten slotte kon ik het toch niet nalaten met de tempelbewoners erover te spreken. En waar ik al bang voor was, gebeurde. Ik werd met stenen gegooid en verdreven. Na een verschrikkelijk moeilijke tocht bereikte ik het meer Tso. Daar sloeg ik mijn tent op en daar wilde ik mijn laatste levensuren afwachten.
Op zekere avond wandelde ik langs de oever van het meer en alles was zo somber in me. “Wanneer zal God verschijnen en mij verlossen?” riep ik opeens luid. Plotseling verscheen er een ster, waarvan de glans mij verblindde. Ik knielde neer en toen hoorde ik een zachte stem die zei: ”Uw liefde heeft overwonnen, de verlossing is nabij. Met twee anderen, die van heel ver komen, zult u de Verlosser zien en van Zijn komst getuigen. Ga vroeg op weg, de anderen tegemoet. Heb vertrouwen in de Geest, die u zal leiden.”
De volgende morgen ging ik op reis. Ik verkocht een waardevolle steen, waarna ik een kameel kocht. Na Bagdad trok ik, zonder op een karavaan te wachten, door de Syrische woestijn. Zo kwam ik bij u, vrienden.”
Daarna deed de Egyptenaar zijn verhaal. “Mijn naam is Balthazar.  Ik ben te Alexandrië geboren uit een geslacht van vorsten en priesters en ontving een opvoeding, overeenkomend met mijn rang. Maar in mijn  studie werd mij geleerd, dat de ziel na de dood, van voren af moet beginnen, van de laagste trap af. Het deed er niet toe, hoe je je op aarde had gedragen, iedereen trof hetzelfde lot. Daar werd ik erg somber en ontevreden van en ik herinnerde mij wat er eeuwen geleden in mijn land was gebeurd met het volk van de Hebreeën. God had dat volk geholpen en bevrijd uit de handen van de farao. En ik was ervan overtuigd dat die God onder ons nog niet was vergeten, maar dat de liefde tot Hem moest worden verlevendigd. En ik had er behoefte aan, dat aan anderen door te geven.
Op een dag ging ik naar de meest aanzienlijke wijk van Alexandrië en sprak tot de menigte over God, de ziel en het eeuwige leven. Maar ik werd bespot en uitgelachen. Toen probeerde ik het in een klein dorp, dat uitsluitend bewoond werd door eenvoudige herders en tuinders. Die mensen bespotten mij niet, maar zij namen mijn prediking aan en gaven die ook weer door aan anderen. Ik begon nu plannen te maken voor de toekomst. Mijn uitgestrekte bezittingen verzekerde ik zó, dat het inkomen ervan vaststond en dat dit te allen tijde kon worden gebruikt om armen en behoeftigen te helpen.
Daarna begon ik mijn zwerftochten langs de Nijl. Ik preekte in de dorpen, maar maakte me tegelijk al zorgen, hoe het moest gaan, als ik weer verder zou trekken. Ik probeerde een vaste kern te vormen, die het op zich wilde nemen,Gods liefde uit te dragen, maar die poging mislukte. Diep teleurgesteld trok ik me terug in de woestijn, om in de eenzaamheid God te zoeken. Ik reisde steeds verder, ja tot in Afrika. Langer dan een jaar woonde ik in een spelonk, aan de oever van een groot meer. Met de vrucht van een palmboom hield ik me in leven. Op zekere avond bad ik intens tot God. In het water weerspiegelden de sterren. Eén ervan rees stralend en fonkelend boven mijn hoofd en terwijl ik op mijn knieën viel hoorde ik een stem die zei: ”U hebt overwonnen, de verlossing is nabij! Met twee anderen, komend van heel ver, zult u de Zaligmaker zien en van Hem getuigen.
Ga vroeg op reis en de anderen tegemoet. Wanneer u de stad Jeruzalem bereikt zult hebben, vraag dan aan het volk: “Waar is de pasgeboren Koning van de Joden?” Ik reisde naar Memphis, kocht daar een kameel en trok toen over Suez en Kulifeh door de landen van Moab en Ammon naar hier, vrienden!”
Ze drukten elkaar de hand en gingen uit de tent. De zon begon onder te gaan en toch wilden ze nu het liefst meteen vertrekken.
Alles werd weer bij elkaar gepakt en ze bestegen de kamelen om nu naar het westen te trekken, onder leiding van de Egyptenaar.
De maan bescheen hun weg en eensklaps zagen ze een schitterend licht, dat zich samentrok tot een stralend punt. Dankbaar en diep onder de indruk zeiden ze tegen elkaar: “De ster! God is met ons!”

DE GEBOORTE VAN CHRISTUS

Volgens de Hebreeuwse tijdrekening had de ontmoeting van de drie wijzen plaats op de 25ste december in het 35ste regeringsjaar van Herodes de Grote.
In de vroege morgen van die dag was de open ruimte buiten de Bethlehempoort te Jeruzalem vol met kooplieden uit Egypte, Tyrus en Sidon, die bezig waren hun goederen uit te stallen. Telkens kwamen nieuwe reizigers het plein op en onder hen waren ook Maria en Jozef. De vrouw reed op een ezel, die door de man bij de toom werd geleid. Opeens sprak iemand hem aan: “Bent u niet Jozef van Nazareth?”
“Ja, dat ben ik. Wij hebben de nacht in Bethanië doorgebracht en zijn nu op weg naar Bethlehem, omdat wij ons daar op keizerlijk bevel moeten laten inschrijven.”
Jozef gunde zich niet veel tijd voor een gesprek want hij hoopte tijdig in Bethlehem te zijn om voor onderdak te kunnen zorgen. Na gegroet te hebben liep hij door en bereikte na een paar vermoeiende uren de oude herberg, die voor de poort van het stadje lag. Maar op zijn vraag aan de poortwachter, of er nog plaats was voor zijn vrouw en voor hem, antwoordde de man dat alles bezet was.
“Maar onder de blote hemel kan mijn vrouw niet overnachten,” zei Jozef bezorgd. “Ze is zo teer en de koude nachtlucht zou haar kwaad doen. Je hebt misschien haar ouders nog wel gekend, Joachim en Anna.”
De herinnering aan deze oude stadgenoten scheen de poortwachter te vermurwen, want hij stond op en zei dat de stal nog vrij was. Als ze daar genoegen mee wilden nemen, zou hij hen erheen brengen. Natuurlijk nam Jozef dit aanbod graag aan.
De man nam toen de ezel bij de toom en bracht zijn gasten via het voorplein van de herberg, naar een achter het huis gelegen bewaarplaats voor lastdieren en vee.
“Je brengt ons naar de spelonk,” zei Jozef.
“Ja,” zei de man en zich tot Maria wendend, voegde hij eraan toe: ”Uw voorvader David is vaak in deze grot geweest. Toen hij nog thuis was, bracht hij er ’s avonds de kudden van zijn vader naartoe. De kribben, waaraan de dieren gevoederd werden, staan er nog.”
Nu schoof hij de grendel weg en liet hen binnen. Er was stro en aardewerk aanwezig, waaruit bleek, dat er wel vaker mensen hadden overnacht. De man wenste goedenacht en liet hen alleen.
Midden in de nacht ontwaakte een van de lieden die op het dak van de herberg sliepen en keek verschrikt om zich heen. “Wat is er gebeurd? Makkers, wordt wakker, kijk eens wat een vreemd licht!” riep hij.
De anderen werden wakker en keken ook met verbazing naar het vreemde licht, maar ze begrepen er de betekenis niet van.
In diezelfde nacht waren er buiten Bethlehem zeven herders, die hun kudden hoedden. Na het avondeten waren ze gaan slapen, met uitzondering van één man, die de wacht moest houden. Deze wachter liep naar het vuur, dat de hele nacht moest branden, toen plotseling een lichtglans hem omscheen, zacht en wit als het licht van de maan. Hij huiverde ervan en keek naar de lucht, waar de sterren waren verdwenen en als door een venster vielen brede lichtbundels op de aarde.
Vlug maakte hij zijn makkers wakker en die riepen angstig:
“Wat is er, wat gebeurt er?”
“Ik weet het niet,” antwoordde de wachter. “Het lijkt wel of de hemel in vuur en vlam staat.”
Het licht werd nu zo verblindend, dat ze hun handen voor de ogen hielden en neerknielden. Toen hoorden ze een stem die zei: “Vreest niet, want ziet, ik verkondig u grote blijdschap
die al den volke wezen zal. Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heer, in de stad van David.
En dit zal u het teken zijn: u zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggend in een kribbe.”
De engel zweeg en nu zagen de herders een menigte stralende engelen, die God prezen en zongen: “Ere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.”
Toen keerden de engelen terug naar de hemel en het veld lag weer in duisternis, evenals kort tevoren.
Het duurde even voor de herders weer in de werkelijkheid terugkeerden. Toen zei er een: “Dat was Gabriël, Gods bode bij de mensen.”
“Ja,” antwoordde een ander, “en hij vertelde dat het Kindje is geboren in de stad van David, dat is toch Bethlehem, is het niet?”
“Zeker,” zei de herder die het eerst gesproken had, “en wij moeten er dadelijk heen. Er is maar één plaats in Bethlehem, waar kribben zijn, dat is de spelonk achter de herberg. Laten we gaan, mannen, want de Messias, die we al zo lang verwachtten, is nu geboren. Kom, we gaan Hem aanbidden!”
Ze lieten de kudde aan haar lot over en sloegen de weg in naar Bethlehem en daar klopten ze aan de deur van de oude herberg.
“Wij hebben vreemde dingen gezien en gehoord,” zeiden ze tegen de poortwachter.
“Wij hebben ook wonderlijke dingen gezien,” antwoordde deze, “maar gehoord hebben we niets. Wat is er gebeurd?”
“Christus is geboren!” klonk het als uit één mond.
De wachter lachte. “Christus?” vroeg hij, “hoe zouden jullie dat kunnen weten?”
Toen vertelden de herders, wat ze van de engelen hadden gehoord en vlug bracht de man hen nu naar de spelonk. De deur stond open. Er brandde licht en zij stapten zonder aarzelen binnen.
“Vrede zij u!” zei de wachter tegen Jozef, “hier zijn mannen, die een pasgeboren kind zoeken, in doeken gewonden en liggend in een kribbe.”
Jozef wees op de kribbe en zei ontroerd: “Daar is het Kindje!”
Voorzichtig kwamen de herders dichterbij en staarden naar het kleine wezentje.
“Dat is de Christus,” zei een van hen zacht. Allen knielden neer en baden even. Bij het afscheid kusten ze de zoom van Maria’s kleed en met stralende gezichten verlieten ze de grot.
Het verhaal over de wondere gebeurtenis van deze nacht deed al gauw de ronde in Bethlehem en omgeving.

Logged

Niet meer actief op het forum.
Noorman
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 95



« Reply #3 on: 29 May, 2010,; 21:12 »

Weet je zeker dat het auteursrechtelijk in orde is om zo'n lang stuk over te nemen?
Logged

Dogma datur christianis, Quod in carnem transit panis, Et vinum in sanguinem.
Quod non capis, quod non vides, Animosa firmat fides, Praeter rerum ordinem.
Sub diversis speciebus, Signis tantum, et non rebus, Latent res eximiae.
Uit: sequentie Lauda, Sion (Sacramentsdag)
Salve Regina
Ark van Hoop
******
Offline Offline

Posts: 1 374


Niet meer actief op dit forum


« Reply #4 on: 29 May, 2010,; 21:50 »

Het verhaal over de wondere gebeurtenis van deze nacht deed al gauw de ronde in Bethlehem en omgeving....

En dit verhaal doet nog steeds de ronde........  Smiley

Toen ik vorig jaar in Israël was hoorde ik dat daar de christenen nog steeds Nazareners worden genoemd.....



Pauze[/i][/color]

Logged

Niet meer actief op het forum.
Pages: [1]   Go Up
  Print  
 
Jump to:  


Powered by SMF 1.1.13 | SMF © 2006-2011, Simple Machines LLC  •  Endless Mc by: © 2009, Crip