VERHAALTJE!
Nou vooruit dan maar weer. Bij deze dan een verhaaltje dat aardig past bij het Trappistentopic. Ook dit is afkomstig uit het boek ‘Help, de dokter verzuipt’ van Toon Kortooms dat verhaalt over het Rijke Roomse Leven van weleer dat zich in dit boek afspeelt op dorpsniveau in de Peel.
Het gaat over ene Hubčr, een rasoptimist, getrouwd met ene Jeanneke, die over één kleine ondeugd beschikte. We laten Toon Kortooms aan het woord…
Wel, de fout van Hubčr Stevens was dat hij ‘s zondags na de Hoogmis nimmer rechstreeks huiswaarts keerde naar zijn Jeanneke met de fluwelen ogen, doch met de mannen naar de herberg toog om een borrel te verschalken. Op deze wijze trachtte men te bekomen van de donderpreek die de dienaar Gods, prelaat van Peelland, had afgestoken.
Welnu, aan ieders leven komt een eind, ook aan dat van Hubčr en zo kreeg dokter Angelino de boodschap dat Hubčr op sterven lag. Toon Kortooms:
Geneesheer Angelino had zijn spreekkamer volg patienten in de steek gelaten toen men hem was komen waarschuwen dat het afliep met Hubčr Stevens. Hij stampte de sterfkamer binnen en ontmoette de glimlach van zijn jachtvriend.
“Hoe is het, ouwe terrier?” vroeg de genesheer.
“Goed.” zei Hubčr, “ik doe het kalm aan en loop niet meer weg.”
Het dappere Jeanneke aaide de hand van haar echtgenoot en zei teder:”Maak u maar nergens zorgen over Hubčr.”
“Ik maak me ook nergens zorgen over mijn vrouwke” glimlachte Hubčr, “Dat doen mijn geldschieters wel.”
De tijd kroop langzaam voort. Af en toe sloot Hubčr een moment de ogen. Dan zweefde de eeuwige glimlach over zijn gelaat. Men zou gezegd hebben: daar ligt een gezond iemand. Dat het hier om een zieke ging kon men slechts zien aan een glaasje vruchtensap op het nachtkastje met daarnaast een Heilig Hartbeeld, de armpjes wijd gespreid als een verkeersagnt van de eeuwigheid.
“Vriend” zei geneesheer Angelino, “is er misschien nog iets waarmee ik u helpden kan?”
Hubčr knikte.
“Met belasting betalen” zei hij.
Zelfs Jeanneke met al haar verdriet schoot in de lach.
“Foei foei foei, gij zijn me er ene!”
De prelaat van Peelland kwam Hubčr de laatste heilige sacramenten toedienen. Een treffende plechtigheid waarbij de smart naar de achtergrond werd gedrongen. De vreugde van het Geloof, het zeker weten, overvleugelde de pijn van het afscheid.
‘Hubčr”, fluisterde Jeanneke na afloop van de bediening, “is er nog iets dat ge graag in orde wilt laten brengen? Ik zal het gere voor u doen”.
Wellicht dacht zij: hij zal mij verzoeken hem toch nooit te vergeten en veel Missen voor zijn zielerust te laten lezen. En hij zal willen dat ik ‘s zondags na de Hoogmis het kerkhof bezoek om een Onze Vader en een Weesgegroet te bidden bij zijn graf, aldus eerherstel brengend voor zijn fout in het verleden… dat gedrink na de kerkdienst.
De trouwhartige Jeanneke met de mooie ogen zou het met liefde volbrengen.
“Zeg het maar Hubčr, “ drong zij aan, “Wat wilt ge dat ik doen zal?”
Hubčr wendde het hoofd en keek naar het glas vruchtensap of er elk ogenblik een gebalde vuist uit kon opsteken.
“Vrouwke”, zei hij duidelijk hoorbaar voor iedereen, “nou er toch niks meer aan te verhelpen is zou ik willen dat ge mij nog één keer een flinke borrel inschonk!”
Deze laatste wilsbeschikking welke de Ervan Luchas Bols ongetwijfeld aangenaam getroffen zou hebben, priemde Jeanneke als een gitige pijl in het vrome hart. Zij schokte recht, zat verstomd , verslagen, verbijsterd, Dat Hubčr een vrolijke ziel was, had zij in de bijna veertig jaren van haar huwelijk elke dag opnieuw kunnen ervaren. Maar nu dit! Op de drempel van de eeuwigheid naar alcohol vragen!
Jeanneke keek hulpeloos de kring rond. De vijf dochters lachten door hun tranen heen en de oppassende burgerjongens kregen zulke rooie koppen dat een buitenstaander onmiddellijk de verwarming zou hebben afgezet. Geneesheer Agelino verborg zijn kop in zijn grove handen en liet nauw bedwongen pretgeluiden ontsnappen.
Dit alles werd Jeanneke te machtig. Haar Hubčr, nog geen kwartier geleden gesterkt door de genademiddelen van Onze Moeder de Heilige Kerk, wenste op het eindpunt van zijn aards bestaan zijn ene grote fout te benadrukkken!
Jeanneke duwde de hand van Hubčr weg en zei snibbig:”Hier wordt niet gedronken, als ge dat maar weet! Hier wordt gestorven!”
En Hubčr kreeg zijn borrel niet. Hij kwam volslagen nuchter aan in de eeuwigheid waar zingende engelen hem tegemoet traden en hem meevoerden aar de troon van de Allerhoogste. Hij bleek geen onbekende te zijn. Iedereen zei tegen iedereen dat die onverbetelijke optimist was gearriveerd en dat het nu zo mogelijk nog plezieriger zou worden in de hemelzalen.
De Heer beloonde Hubčr voor het vele goede dat hij door zijn onverwoestbare blijmoedigheid op aarde had verricht en benoemde hem tot opperschenker van de engelenkoren.
En zo kon het gebeuren dat een eenzaam Jeanneke ‘s zondags na de Hoogmis de dodenakker achter het kerkgebouw betrad en daar een gebed stortte bij het graf van haar overleden echtgenoot. Zij smeekte de Heer van leven en dood in al Zijn goedertierenheid Hubčr toch uit het vagevuur te verlossen waarin hij door zijn drankzucht onvermijdelijk terecht moest zijn gekomen.
En zo kon het gebeuren dat, terwijl Jeanneke dit afsmeekte, Hubčr tot de engelenkoren zei:”Het is vandaag zondag, dus nemen we er eentje extra!"