Pages: [1] 2 3   Go Down
  Print  
Author Topic: Conclusies van Rogier  (Read 2884 times)
0 Members and 1 Guest are viewing this topic.
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« on: 04 August, 2008,; 22:53 »

Ik heb een soort van hobby waarbij ik teksten inscan van (katholieke) boeken die slecht verkrijgbaar zijn.  Zo heb ik ook de concluderende hoofdstukken van het magnum opus van de katholieke historicus L. J. Rogier over de katholieke Kerk in Nederland tijdens de Reformatie en iets erna ingescand.

Zijn er mensen die dat interessant vinden?
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
puellapaschalis
Co-dictatrix
Administrator
*****
Offline Offline

Posts: 3 598



WWW
« Reply #1 on: 04 August, 2008,; 23:13 »

Ja. Oh so ja!
Logged

Yes, that's Gibbs in my avvy. Phwoar! Wink
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #2 on: 05 August, 2008,; 00:19 »

Ok, manána. Want het is veel :p
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #3 on: 05 August, 2008,; 16:40 »

1. Beeldende Kunst

Van de zeventiende-eeuwse cultuur maken wij ons gemakkelijk een te grootse voorstelling, voor zover het om haar plaats in het algemene nationale leven gaat. Het is nietmoeilijk, een geestdriftig exposé te geven van de Europese betekenis der Nederlandse schilderkunst in de zeventiende eeuwen ook de bloei van de letterkunde in het Holland van Frederik Hendrik en nog enige decennia daarna kunnen wij zonder chauvinisme als een verrukkelijk verschijnsel tekenen. Toch is terecht de nadruk gelegd op de geringe omvang van de kring van hen, die tot deze grootse opbloei van kunsten en wetenschappen hebben bijgedragen door het eigen werk of door de aanmoediging, die zij de beoefenaars schonken, of alleen door de belangstelling, waarmee zij de vorderingen ervan gadesloegen. Daarbij werd geconstateerd, dat de 'Nederlandse beschaving in Rembrandts tijd' zich 'zowel receptief als produktief op een gebied van niet veel meer dan honderd kilometer in het vierkant concentreerde'. Het is maar een deel van het gewest Holland en dit zelfs nog niet eens als geheel, maar slechts in zoverre er stedelijke centra waren, waarin de beroemde zeventiende-eeuwse cultuur aan den dag treedt. Wel woont een enkele dichter, een eenzame humanist, een schilder van talent hier en daar buiten de getrokken kring, in de noordoostelijke provincies of zelfs in de Generaliteitslanden, maar hij vindt zo goed als geen contact met de Hollandse vakgenoten. Alleen de stad Utrecht, middelpunt van een schildersschool met een zeer eigen karakter, maakt een sprekende uitzondering.
Hollands chauvinisme en protestants superioriteitsbesef hebben beide lang voedsel geput uit deze zo geprononceerde culturele hegemonie, die in nauwe causale samenhang met de politieke en de economische, het verdiende loon scheen voor zoveel groter moed, zoveel scherper doorzicht en zoveel zuiverder geloof dan andere gewesten voorlopig konden opbrengen. De fortuin is met de stoutmoedigen en de hemel zegent de vromen immers menigmaal reeds met voorspoed in dit aardse leven.
Zo steeg het vroeggeprotestantiseerde Holland in snel tempo in aanzien en rijkdom, naarmate het toenam in beschaving van de vrij geworden geest. De religie van de knechtelijke wil scheen de geest ongekende vrijheid te schenken. Tegelijkertijd werd Zuid-Nederland na een veelbelovende morgen plotseling teruggestoten in de nacht van het bijgeloof, dat de geest verstikt en kunsten en wetenschappen naar het leven staat.
In de retoriek van de zelfgenoegzame burger, die vóór De Gids optrad, de alom-gerespecteerde poet laureate van het negentiende-eeuwse Hollandse provincialisme mocht zijn en wiens particuliere uittocht van Rome naar Dordt het Hollandse protestantiseringsproces als in een verlaat da capo weerspiegelt, staat de zeventiende-eeuwse cultuurbloei niet alleen als een glorie van het protestants-geworden Holland te boek, maar tevens als een verbijsterend wonder, plotseling als een ongekend kleinood uit moerassen opgerezen, voor het oog van een verbaasd Europa. Maar ook dit wonder werd ontraadseld. Het op het eerste gezicht bijna ongelooflijke verschijnsel van een zo snelle en grootse opbloei in dat ene gewest, nog wel middenin een oorlog op leven en dood, vindt althans een gedeeltelijke verklaring in de omstandigheid, dat diezelfde oorlog een sterke concentratie binnen Holland teweegbracht van intellectueel en artistiek begaafden uit alle Nederlanden, speciaal uit de zuidelijke gewesten, die tot in de zestiende eeuw brandpunt van welhaast alle Nederlandse cultuur waren geweest. Zo er nu al te veel nadruk op gelegd wordt, dat juist het vroeg-geprotestantiseerde Holland de haard werd van de verbijsterend-snelle opbloei van een nieuwe cultuur, die de kleine Republiek onder Hollandse hegemonie aan de spits van de Westeuropese beschaving scheen te brengen, wordt een voorname factor over het hoofd gezien. Men vergeet immers, dat die vroege protestantisering vooreerst noch de kunstenaars en geleerden, noch het patriciaat, dus de klassen, welke voor die opbloei representatief moeten heten, hetzij in creatieve, hetzij in receptieve zin, genoegzaam bereikte. Hierachter zal blijken. dat juist van de Zuidnederlanders, die de voorspoedige cultuurbloei in Holland door hun eigen werk mogelijk maakten, vele nooit protestants geworden en sommige uitgesproken katholiek gebleven zijn. Zo is dan ook zowel het Hollandse als het protestantse karakter van die cultuurbloei aan twijfel onderhevig. Een door het bestek van dit boek aan enge grenzen gebonden revue van het geestelijk leven, in de eerste plaats van de beeldende kunsten, in de zeventiende eeuw mag dit doen uitkomen.
De grote cultuur, die Noord-Nederland beroemd gemaakt heeft in de wereld, is wel Hollands en zelfs voor een niet-gering deel Amsterdams van domicilie, maar niet van oorsprong. Zowel de grondleggers van het Leidse academisch onderwijs als de vroege schilders en dichters kwamen voor een aanzienlijk deel uit de Zuidelijke Nederlanden. Evenals het economische leven concentreert het culturele zich meer en meer in het voorspoedig-groeiende Amsterdam, dat in een snel tempo van een flinke provinciestad een van de grootste bevolkingsconcentraties van Europa wordt. Het zijn zijn koopmansstand, zijn regentenpatriciaat, voor een vrij groot deel parvenu's van zeer recente datum, die de mecenasrol gaan spelen, waardoor de beeldende kunst aan opdrachten en de kunstenaars aan brood geholpen worden. Uiterst gering is, althans in de zeventiende eeuw, het aandeel, dat de landadel aan de bevordering van het kunstleven heeft. Vooral in de oostelijke en noordelijke provincies leiden de meeste adellijke families op hun stinsen, staten en sloten nog meest het traditionele leven van de landheer, die opgaat in agrarische belangen en daarbuiten weinig interessen heeft.
Kerken en geestelijken, in katholieke landen vóór en na de reformatie de grote beschermers en opdrachtgevers van beeldende kunstenaars, waren in de Republiek bijna uitgeschakeld. Het calvinisme duldde geen beelden, geen muurschilderingen of doeken in de onttakelde, witgekalkte kerken en de katholieken kwamen pas tegen het einde van de zeventiende eeuw zo ver, dat zij hier en daar hun stedelijke huiskerkjes tot juwelen van binnenarchitectuur poogden te maken. Aanvankelijk moet de kunstloze armoede hier de bezoekers toegegrijnsd hebben. Er zijn weinig schuilkerken, die reeds vóór 1700 tot een schoon interieur gekomen zijn. Eerst de achttiende eeuw zou aan het katholieke schuilkerkje zijn bepaalde gestalte geven, die nog tot op onze dagen voortleeft in sommige oud-katholieke kerkjes in de Hollandse steden en in zeer enkele katholieke kerken, waarvan die op het Begijnhof te Amsterdam, na de noodlottige ondergang van de Rotterdamse Rosalia in de Leeuwenstraat, wel ongeveer de enige representante is. Pas tegen het einde van de zeventiende eeuw begonnen de schuilkerken in de steden, vooral in de Hollandse, hun interieurs van beelden en altaarstukken te voorzien. Van deze produkten is vermoedelijk zeer weinig overgebleven.
Merkwaardig gering moet overigens het aandeel van Noordnederlandse schilders aan de eerste stoffering van de schuilkerken geweest zijn.
Wij weten, dat Adriaan van de Velde, die reeds in 1672 te Amsterdam overleed, voor de paters augustijnen van de Star enige lijdenstaferelen schilderde en dat vooral ook de Utrechtse schilderschool, waarvan in de tweede helft van de zeventiende eeuw de Bloemaerts de kopstukken waren, aan de laat-zeventiende-eeuwse schuilkerken wel altaarstukken heeft geleverd, zoals zij er vele voor Zuidnederlandse kerken maakte, maar het schijnt wel zeker, dat de meeste doeken en panelen, die in de Hollandse katholieke kerken en pastorieën van de late zeventiende eeuw gevonden werden, kopieën of navolgingen waren van grote stukken der Antwerpse school uit de eerste helft van de eeuw. De in 1640 gestorven Rubens was de grootmeester van deze onsterfelijke schilderschool. Zij dankt haar bezieling aan de katholieke restauratie, die, begonnen onder Alexander van Parma, door de toewijding van de vrome aartshertogen zulke schone vruchten droeg, ook voor de kerkelijke kunst. De verovering van Antwerpen in 1585 was het begin van een rijke ontplooiing der Vlaamse religieuze schilderknnst. In het tijdvak tot aan de dood van Isabella in 1633 heeft zij de door de beeldenstorm geschonden kerken herschapen in kerkelijke musea vol massale doeken en panelen, die nog het triomfantelijk karakter van de katholieke reformatie in overstelpende rijkdom van voorstellingen vereeuwigen.
Bezield door de geest van de Ignatiaanse of Salesiaanse vroomheid met haar gestadig beroep op het beeld als de aanschouwelijke voorstelling van de gewijde overlevering, is de Antwerpse schilderkunst door genieën als Rubens en Van Dyck de welsprekende tolk geworden van het christelijk humanisme in zijn nieuwere, na- Trentse strekking. Zij is de belichaming van de spiritualiteit der jezuïeten met haar vele nieuwe devoties en haar polemisch gerichte geest. Al wat de hervorming had leren betwijfelen, ontkennen of bespotten, bracht deze spiritualiteit in eindeloze variaties van polemische en ascetische traktaten, van oefeningen en gebeden met nadruk naar voren: de heiligencultus, vooral die van de Lieve vrouw, de heilige Eucharistie, de biecht, de leer van de goede werken en het vagevuur. Ook de heldenmoed van de martelaren der katholieke reformatie werd tot een voornaam element van katholieke devotie. Van dit alles getuigt het werk van de Antwerpse schilderschool, die onder haar grondleggers een katholieke Noordnederlander telt: de Leidenaar Otto van Veen (Vaenius), vooral bekend gebleven als Rubens' leermeester.
Ook later is de Antwerpse school nooit geheel geïsoleerd van Noord-Nederland komen te staan; sommige noorderlingen waren door haar geest bezield. Niet alleen zijn er persoonlijke banden tussen Haarlemse of Amsterdamse en Antwerpse kunstbroeders, maar de Utrechtse school kan, vooral door het werk van de Bloemaerts, straks beschouwd worden als een voortzetting van de Antwerpse. Zij leverde in de tweede helft van de zeventiende eeuw, toen de Antwerpse school over haar hoogtepunt heen was, veel altaarstukken aan Zuidnederlandse kerken.
Ook de Haarlemse graveur Jacob Matham (1571-1631), die in 1617 negentien prenten maakte van de martelaren van Gorkum, zijn stadgenoot Pieter Soutman, Lucas Vorsterman uit Bommel en de ook als schilder vruchtbare graveur Theodoor van Thulden uit Den Bosch behoren geheel tot de Antwerpse richting. Hoe hoog de bij uitstek religieuze kunst van de Antwerpenaars in de eerste helft van de zeventiende eeuw boven de toen nog niet tot hun grote bloei gekomen Noordnederlandse scholen stond, ontging niet aan een universele artistieke kop als Constantijn Huygens. Deze stond b.v. met verscheiden Zuidnederlandse kunstenaars in geregelde briefwisseling en het is vooral zijn invloed, die zoveel Vlaamse schilders aan het werk zette voor de opluistering van Frederik Hendriks paleizen.
Het is niet verwonderlijk, dat vooral de regulieren, voorop de jezuïeten, allen leden van Zuidnederlandse ordesprovincies, in hun staties in de Hollandse Zending graag werk van Antwerpsen huize introduceerden.
Zoals wij nader zullen zien, putte katholiek Noord-Nederland heel de zeventiende eeuw - en zeker nog een eeuw lang daarna - voor zijn godsdienstig leven, voor spiritualiteit, theologie en polemiek veelal uit Zuidnederlandse bronnen. Ook met de gewijde kunst was het zo gesteld. Nietalleen een stroom van kerk- en devotieboeken, maar ook grote oplagen van religieuze gravures vonden uit Antwerpen openlijk of clandestien hun weg naar de katholieken van het noorden. Dit leidde misschien tot het voorbijgaan van de lang niet zeldzame creatieve talenten in de eigen gemeenschap van geloofsgenoten. Dezen werden aldus te meer gedwongen zich naar de heersende smaak van de noordelijke opdrachtgevers toe te leggen op profane onderwerpen als het landschap, het stilleven, het portret, het genrestuk. Want aan katholieke schilders heeft Noord-Nederland in de zeventiende eeuw zo weinig gebrek gehad, dat de vraag gewettigd is, wanneer zij eindelijk ophielden de meerderheid onder de vakgenoten uit te maken.
Het lijkt misschien een wat onnozel gepeuter, de confessie van onze grote mannen na te rekenen, maar als wij er ons toe zetten, het aandeel te bepalen, dat aan de kunstontwikkeling in de zeventiende eeuw door katholieken is bijgedragen, dan wil daarmee uitgemaakt worden, of de kleine bovenlaag van de Hollandse stedelijke bevolking, waarin dit proces zich heeft afgespeeld, buiten alle invloed van het katholieke geloofsleven was geraakt, zodat onze grote zeventiende-eeuwse schilderkunst op geen enkele grond met het katholicisme in verband gebracht kan worden. Dit is wel beweerd, maar de poging om daartegenover staande te houden, dat in het oeuvre van onze grote zeventiende-eeuwse schilders het calvinisme tot uiting komt, is wel mislukt te noemen. Het was al veelzeggend, dat de veelzijdige neo-calvinist, die in 1888 het rectoraat van de Vrije Universiteit neerlegde met een rede over het calvinisme en de kunst, Rembrandt en Jan Steen, niet voor zijn geloof kon opeisen zonder op de vingers getikt te worden. Immers Rembrandt was veeleer doopsgezind dan calvinist en Jan Steen was katholiek, wat ook zijn werk hier en daar uitwijst: hij geeft op de sinterklaasavond in het Rijksmuseum een duidelijke geloofsbelijdenis door het kleine meisje aIs feestelijke pop een klaar kenbaar beeldje van zijn patroon, Sint-Jan de Doper, in de arm te geven. Besliste in dezen de confessie van de schilder - wel een voornaam, maar niet het voornaamste blijk van affiniteit tussen de kunst en het katholicisme, ook toen het in druk verkeerde -, dan lijdt het nauwelijks twijfel, of wij zouden de schilderkunst van de zeventiende eeuw wel voor de helft katholiek moeten noemen. Reeds Alberdingk Thijm zag scherp in, wat hém nauwelijks vrijstond aan te duiden, maar wat een hedendaags historicus objectief constateert, dat namelijk 'onze gehele zeventiende eeuw in tal van opzichten veel roomser is geweest, dan de vroeger overheersende protestantse interpretatie onzer geschiedenis ook maar had kunnen vermoeden, laat staan toegeven'.
Het loont de moeite, zulk een stellige uitspraak aan de werkelijkheid te toetsen en misschien is geen kunstbranche in het zeventiende-eeuwse Holland daartoe eer aangewezen dan de schilderkunst. Deze immers heeft Hollands naam grootgemaakt in de wereld; zij is onze glorie en onze hoogste prestatie in de moderne tijd. Een opstel over 'Nederlandse schilders en Italiaanse scholing in de 17de eeuw' gaf in 1929 in een zeer positief naschrift een zakelijke opsomming van katholieke schilders, die, hoe imposant ook, nog lang niet volledig is. In dit naschrift verklaart de schrijver, dat 'onder de Hollandse schilders van de zeventiende eeuw veel meer roomsen (waren) dan men gewoonlijk denkt'. Hij maakt daarbij de juiste opmerking, dat doop of trouw of begrafenis in een hervormde kerk, zoals die van verscheiden betrokkenen vaststaat of waarschijnlijk is, niets tegen hun katholiciteit bewijst. Doop door de hervormde predikant was soms voorschrift. Hetzelfde geldt voor de huwelijksluiting in de hervormde kerk. Deze was in vele gevallen, zo al niet strikt voorgeschreven, dan toch raadzaam. Begrafenis van enigszins gegoede katholieken in protestantse kerken was tot in het begin van de negentiende eeuw vaste regel, ook bij de reguliere en de seculiere priesters.
Het optreden als getuige bij doop of trouw in een protestantse kerk hield zelfs Alberdingk Thijm voor een symptoom van afval of althans zeer verzwakte katholiciteit; ten onrechte echter: het was veelal een gedwongen fraaiigheid.
Aan de hand van de zoëven genoemde gegevens kunnen wij van een groot aantal zeventiende-eeuwse schilders de katholiciteit vaststellen, waarschijnlijk maken of met grond mogelijk noemen. Om met een dubieus geval te beginnen, kunnen wij de familie Hals vermelden, die door haar werk de Haarlemse schilderschool gedurende de hele eerste helft van de zeventiende eeuwen nog enige tijd daarna beheerste. Het zijn de uit Zuid-Nederland afkomstige broers Frans en Dirk Hals, benevens de talrijke zoons van de eerste, o.a. Harmen, Joannes, Claes en Reinier Hals, en één zoon van de tweede, namelijk Antonie Hals. Van de grootste van hen allen, de in 1666 te Haarlem overleden Frans Hals, staat ten minste vast, dat hij gedurende zijn eerste Haarlemse tijd katholiek was. Portretten van priesters, als de kapittelproost Zaffius en pastoor Nicolaas Stenius, doen onderstellen, dat hij met de Haarlemse clerus in contact bleef, en daar er geen enkele aanduiding van enige betrekking tot het hervormde kerkgenootschap voorhanden is, blijft zijn volharden bij het oorspronkelijk geloof ten minste waarschijnlijk. Hetzelfde moet wel gelden van zijn elf jaar jongere broer Dirk Hals, die hoogstwaarschijnlijk ten minste katholiek opgevoed is. Van de tweede generatie staat tot nu toe niets vast.
Tot de school van Frans Hals behoren, behalve zijn broer en zijn verdere verwanten, nog verscheiden schilders, wier katholiciteit min of meer waarschijnlijk is. Katholiek van geboorte was ten minste Jan Miense Molenaar, die echter met de niet-katholieke schilderes Judith Leyster trouwde; hun kinderen waren vermoedelijk protestants. De gebroeders Adriaan en Izak van Ostade, eveneens figuren van de eerste rang in de Haarlemse school waren van huis uit ongetwijfeld katholiek, maar van hun leven is op het stuk van de religie te weinig bekend om met enige zekerheid daarover te spreken; alleen behoorde Adriaans tweede vrouw, Anna lngels, tot een katholieke Amsterdamse familie. Zo goed als zeker is het verder, dat de veelzijdige, jong-gestorven Adriaan Brouwer, Zuidnederlander van geboorte, in 1638 te Antwerpen gestorven en op kosten van de karmelieten aldaar begraven, levenslang katholiek geweest en als zodanig gestorven is. Tussen 1626 en 1631 woonde hij te Haarlem, waar hij onder de invloed van Frans Hals kwam, met wie hij in nauw contact stond. De laatste zes jaren van zijn leven bracht hij te Antwerpen door. Hier onderhield hij zeer nauwe betrekkingen met Rubens, Van Dijck en de jezuïet Daniel Seghers; zijn werk uit deze tijd geeft recht, hem te rekenen tot de schilders van de Zuidnederlandse katholieke reformatie.
Dat Jan Steen katholiek was en het levenslang bleef - zijn kinderen zijn alle in katholieke kerken gedoopt -, staat genoegzaam vast; zijn begrafenis in de protestantse Sint-Pieterskerk te Leiden heeft niets merkwaardigs voor een katholiek. Niet geheel zeker is de religieuze ontwikkeling van Philips Wouwerman. Het meest aannemelijk schijnt, dat hij in 1619 te Haarlem protestants gedoopt en daarna protestants opgevoed was, maar zijn vrouwen zijn kinderen waren katholiek; zijn zoon Paulus werd kartuizer te Antwerpen. Hoogstwaarschijnlijk is hij reeds bij of kort na zijn huwelijk ook zelf katholiek geworden. Dat deze schilders, zij mogen dan alle met zeker recht als katholiek te beschouwen zijn, buiten de religieuze sfeer van de toen in Zuid-Nederland tot zulk een hoogte stijgende kunst der katholieke reformatie bleven - Brouwers later werk misschien ten dele uitgezonderd -, is verklaarbaar, gebonden als zij waren aan het milieu, waarvan zij de opdrachten uitvoerden en welks smaak en voorkeuren de richting van hun werk grotendeels bepaalden.
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #4 on: 05 August, 2008,; 16:44 »

...Vervolg van 1:

Geheel sloten zich bij de Antwerpse school aan de gebroeders Boete en Schelte van Bolsward (Boëtius en Schelte a Bolswert), de beroemdste graveurs van hun tijd, die o.a. vele stukken van Rubens in plaat brachten en in nauwe relatie stonden met verscheiden geestelijke schrijvers, voor wier werken zij tal van prenten vervaardigden. De oudste, Boete, illustreerde verschillende populaire ascetische geschriften en schreef zelf de tekst van het bekende boekje 'Duyfkens en Willemijnkens pelgrimagie, Antwerpen 1627', dat hem een plaats geeft onder de verdienstelijke ascetische schrijvers in de volkstaal. Na zijn dood verscheen, met prenten van zijn hand, het geschrift van Leonardus Marius over het mirakel van Amsterdam: 'Amstelredams eer ende opcomen door de denckwaerdighe mirakelen aldaer geschied aen ende door het H. Sacrament des Altaars anno 1354. Antw. 1639'. Onbekend is het geloof van de op achtentwintigjarige leeftijd te Amsterdam gestorven Paulus Potter, de beroemde dierenschilder, maar zijn relaties tot verscheiden katholieken als Van Goyen, Carel Dujardin, Adriaan van de Velde en Cornelis Saftleven laten zeker de mogelijkheid open, dat hij tot hun geloofsgenoten behoorde. De Van de Veldes waren zonder twijfel katholiek, zowel de oude Willem van de Velde, in 1693 te Londen gestorven, als de beide zoons, Willem (in 1707 ook te Londen overleden, gelijk zijn vader voornamelijk als schilder van schepen en zeeslagen bekend gebleven) en de landschapschilder Adriaan, die reeds in 1672 te Amsterdam stierf.
Van hem vermeldden wij al de lijdensvoorstellingen in de Augustijnenkerk in de Spinhuissteeg te Amsterdam; verder leverde hij een kruisafneming aan de katholieke huiskerk op de Amsterdamse Appelmarkt.
Ook omtrent Cornelis Saftleven, die in 1648 in de Steigerse Kerk te Rotterdam trouwde, bestaat geen redelijke twijfel.
Carel Dujardin, die een der hoofdmeesters van de 'Italianiserende landschappen' heet en dan ook lange tijd in Italië doorbracht, behoort tot een groep van het tweede plan, maar van talent en bekwaamheid, waarin het katholieke contingent stellig de overhand heeft. Onder hen treffen wij o.a. de katholieken Justus van Huysum, Jan Baptist Weenix, Jan Wils, Pieter de Grebber, zoon van Rubens' vriend Frans de Grebber, aan. Ook de beide d'Hondecoeters, Gillis en Gijsbert Gilliszoon, waren naar alle waarschijnlijkheid katholiek, zeker de vader. Zij stonden in nauwe betrekking tot de familie Bloemaert. De stamvader van dit geslacht was de bouwmeester en beeldhouwer Cornelis Bloemaert, de leermeester van Hendrik de Keyser, eveneens tot zijn dood toe katholiek. Zowel Cornelis Bloemaert als Hendrik de Keyser was als stadsarchitect te Amsterdam werkzaam; de laatste is als zodanig zo goed als zeker de bouwmeester van de protestantse Zuider-, Wester- en Noorderkerk. Dat deze ambtelijke verrichting, die geheel en al van de stad uitging, niet in strijd was met zijn katholiciteit, werd vroeger niet altijd ingezien. Dienaangaande geldt hetzelfde als omtrent de katholieke organisten, die in de zeventiende eeuw hier en daar in stadsdienst aan protestantse kerken verbonden bleven. Ook Hendrik de Keysers zoons, de schilders Thomas en Willem de Keyser, waren katholiek. Van de Bloemaerts is Cornelis' zoon Abraham, die in 1651 te Utrecht stierf, de bekendste; hij en zijn zoons, de schilders Hendrik en Adriaan Bloemaert en de graveurs Cornelis en Frederik Bloemaert, waren uitgesproken katholieken, ook in hun werk, dat ten dele zijn weg vond in de ka:holieke kerken.
Verder kan met grote waarschijnlijkheid worden aangenomen, dat ook je landschapschilders Simon de Vlieger en Jan Wynants katholiek wa:eil. Een van de meest geprononceerde Italianiserende landschapschilders was de katholieke Claes Berchem, in 1683 te Amsterdam overleden. Met vele katholieke vakgenoten als Pieter de Grebber, Claes Moiaert, Jan van Goyen en Jan Baptist Weenix stond hij in hechte betrektot kerk 'geappropieerd', zoals het in de taal van de plakkaten heet. Gewoonlijk gebruikt men de naam schuilkerken reeds voor die zeventiende-eeuwse bidplaatsen, ofschoon deze toch scherp te onderscheiden zijn van de eigenlijke schuilkerk: een werkelijke kerk als zodanig gebouwd, maar op een terrein, dat van alle kanten door belendende huizen aan het gezicht onttrokken en slechts door sloppen en stegen te bereiken was. Het ontstaan van deze schuilkerken dateert ten vroegste uit het eind van de zeventiende eeuw. Hun interieur muntte soms uit door indrukwekkende rococo-schoonheid; bouw, stoffering en meubilering waren dikwijls het werk van kunstenaars van naam.
De zeventiende eeuw is de tijd van de huis-, de zolder- en de pakhuiskerken, die meestal de naam bleven dragen van het profane gebouw, waarvan zij slechts een min of meer grondige wijziging waren. Tal van staties in de steden droegen deze namen tot in de negentiende eeuw. Te Amsterdam leven zij nog voort in de populaire betitelingen van sommige parochies, zoals de Krijtberg, de Zaaier, de Duif, de Papegaai. Oorspronkelijk waren deze bidplaatsen, vooral zolang zij nog louter van tijdelijke aard waren, bekrompen en primitief; dikwijls waren zij echter voorzien van vernuftige inrichtingen, die de priester het ontvluchten en de gastheren het camoufleren van de kerkmeubelen, speciaal het altaar, mogelijk maakten. Van deze primitieve huiskerken is geen type over; het 'Haantje' (thans Museum Amstelkring) aan de Oude-Zijds Voorburgwal te Amsterdam bewaart in appendente vertrekken enige heugenis ervan. Zelf is het, evenals de kerk van het Begijnhof te Amsterdam en enige nog gebruikte kerkjes van de oud-bisschoppelijke cleresie, b.v. dat in de Juffrouw-Idastraat te Den Haag, een type van het verfraaide en vergrote huiskerkje uit de late zeventiende eeuw, waarvan het interieur soms reeds door kunstwaarde uitmuntte.
De grote meerderheid van deze kerkjes was nog ontstaan uit adaptatie van gewone woon- of pakhuizen. Door het uitbreken van plafonds en binnenmuren werd een eigenaardig geheel verkregen, dat sterk aan theater-interieurs herinnerde. Een zeer groot deel van de zondagse kerkgangers zag van galerijen en tribunes op het beknopte priesterkoor neer. Uit het oogpunt van de praktische bestemming, die de eis stelde, zoveel mogelijk mensen in een kleine ruimte opeen te pakken, zijn vele van deze bouwsels staaltjes van knap en vernuftig timmermanswerk te noemen. Sommige muntten, behalve door de ondefinieerbare intimiteit, welke alle occasionele bezoekers uit het buitenland opviel, reeds in de gestalte, die zij aan het eind van de zeventiende eeuw bereikten, uit door hun streven naar eenheid in stoffering en versiering met smeedwerk, stucwerk en houtsnijwerk en waren rijk aan barokke schoonheid.
Bouwmeesters van naam hebben echter in de zeventiende eeuw aan het tot stand komen van deze huiskerken blijkbaar nog niet meegewerkt; zij zijn ten hoogste gunstige getuigenissen voor de vakbekwaamheid van de meesters timmerlieden en metselaars uit de staties zelf.
Nog minder is er van architectonische bemoeiing sprake met de bouw van de schuurkerken te lande, die in oorsprong werkelijk schuren, stallingen of delen waren, later, dat is sedert het eind van de zeventiende eeuw, speciaal als kerk gebouwde schuren, in de Hollandse Zending meest van hout en met stro bedekt, in Noordbrabant soms van leem, maar overal zo geconstrueerd, dat hun uiterlijk de kerkelijke bestemming niet verried. Hun bouw, verbouw of reparatie stonden onder tiranniek toezicht van Gecommitteerde Raden of Gedeputeerde Staten en werden gekocht met zware recognities aan de officieren. Van de interieurs dezer landelijke schuren kunnen wij ons niet licht een te armoedige voorstelling vormen. Op heel het platteland van de Republiek en van het graafschap Lingen waren deze schuren te vinden. Zij hebben hun leven hier en daar gerekt tot over het midden van de negentiende eeuwen waren wel de pijnlijkste blijken van de staat van vernedering, waartoe het katholicisme onder de Republiek veroordeeld was. Alleen in de politieke enclaves van de Generaliteitslanden en in de tweeherige stad Maastricht zijn in de zeventiende eeuw enige nieuwe katholieke kerken gebouwd. Een belangrijke bouw was die van de Maastrichtse jezuietenkerk tussen 1606-1614, eerste werk van jezuietenbroeder Petrus Huyssens uit Brugge, die zich later een zeer goede naam verwierf door zijn kerken te Antwerpen, Brugge, Gent en elders in de Zuidelijke Nederlanden. In 1661 werd ook de nieuwe augustijnenkerk te Maastricht geconsacreerd. Beide kerkgebouwen worden geprezen als zeer goede specimina van de Vlaamse Barok. Van 1659 tot 1667 ontstond de SintMichielskerk te Sittard als kloosterkerk van de dominicanen aldaar. Megen zag tussen 1648 en 1663 het nog bestaande minderbroedersklooster verrijzen; de daarbij behorende kerk werd in 1670 voltooid. Van 1657 dateert de Sint-Benedictuskerk in het naburige Teeffelen. De laatstgenoemde twee kerken zijn sobere bouwwerken van bescheiden afmetingen. Heel de zeventiende eeUw was verder de katholieke kerk in NoordNederland als opdrachtgeefster aan bouwmeesters zo goed als uitgeschakeld. De hervormde kerk had dezen evenmin nodig en voor hun werk bovendien eer wantrouwen dan waardering. Geheel anders dan in de katholieke Zuidelijke Nederlanden, waar de tijd van de aartshertogen ook in de bouwkunst die hechte eenheid van geloof en kunstzin te zien gaf, waar de kerk vooral de plastische kunsten dienstbaar maakte aan de eer van God, leefden in het noorden zij, die uit aardse stof werken van kunst schiepen, buiten de sfeer van de toonaangevende kerk, niet gewaardeerd, zelfs achterdochtig gadegeslagen door de calvinistische ijveraars en, vergoders van de stof, door de steile rechtzinnigen als hele of halve paganisten en wereldlingen geschouderd. Het is dus geen wonder, dat van de voorname bouwmeesters van de eerste helft der zeventiende eeuw nauwelijks een enkele te noemen is, van wie enige betrekking tot de hervormde kerk aan den dag getreden is. De Gentenaar Lieven de Key, die als stadsbouwmeester van Haarlem aldaar o.a. de Waag en de Vleeshal bouwde en in 1627 stierf, was katholiek van origine; het is niet bekend, of hij ooit met zijn geloof gebroken heeft. De zoeven genoemde Utrechter Hendrik de Keyser, die in 1621 te Amsterdam overleed, leefde en stierf als katholiek. Ook in de tweede helft der eeuw traden belangrijke katholieken op. De bouwmeester van het Amsterdamse raadhuis, Jacob van Campen, was van huis uit katholiek en bracht zijn jeugd door in een kring van meest katholieke schilders, leefde in de middenperiode van zijn bewogen leven vermoedelijk buiten elk kerkverband, maar keerde kort voor zijn dood tot de katholieke geloofspraktijk terug. Van Salomon de Bray, Philip en Justus Vingboons en Daniël Stalpaert, allen Zuidnederlanders van afkomst, staat het geloof niet vast, maar is tenminste de katholiciteit niet uitgesloten.
Meer nog dan de bouwkunst, die uit simpel utiliteitsoogpunt wel aanvaard moest worden, leed de beeldhouwkunst onder het calvinistisch anathema over alle gesneden beelden. Hier zien wij het scherpste contrast tussen Noord en Zuid. Terwijl de kerk in de Zuidelijke Nederlanden de grote opdrachtgeefster was en de opbloei van een vernieuwd devotieleven in al de wijdheid, waardoor de katholieke reformatie zich kenmerkte, de kunstenaars inspiratie schonk, drukte het calvinisme de beeldhouwkunst vrijwel dood. Een kerkelijke beeldhouwkunst is in een calvinistisch land niet denkbaar en daar de katholieke schuilkerken niet vóór de achttiende eeuw zouden toekomen aan de schepping van die rijke Barok-interieurs, waarin het beeld zijn natuurlijke en belangrijke plaats vond - het waren toen vrijwel alleen Zuidnederlanders, die te werk gesteld werden; de sculptuur was in het noorden inmiddels verkwijnd -, moesten het bijna uitsluitend grafmonumenten voor zeehelden, patriciërs en andere vermogende particulieren zijn, waartoe de kunst zich beperkte. Het is wel zeer tekenend, dat vrijwel alle monumenten, die in de zeventiende eeuw in de ontluisterde kerken de enige kunstwerken waren, door katholieke beeldhouwers gewrocht zijn en dat ongeveer al onze grote nationale figuren uit de zeventiende eeuw sluimeren in praalgraven, door paapse en meestal ook Zuidnederlandse kunstenaars ontworpen en uitgevoerd. Wie alleen let op het uiterlijk schoon van kerken, stadhuizen, paleizen en patriciërswoningen, zoals zij ten dele nog voor ons de getuigen zijn van de trotse bloei der kunsten in de zeventiende eeuw, en dan de populaire uitspraak gedachtig is van de calvinistische stempel, die op de cultuur gedrukt zou zijn, ziet wel zeer scherp, welk een frase zij is.
Hendrik de Keyser schiep ruim dertig jaar na 's prinsen dood het grafmonument voor Willem van Oranje te Delft. Hoe verzoenend de tijd werkt, leert het geval van de vorst, die, door Balthasar Gerard vermoord en door Sasbout Vosmeer verafschuwd, zijn aardse glorie vereeuwigd zag in het werk van een Noordnederlands katholiek. Behalve de leden van de familie De Keyser zijn in de zeventiende eeuw slechts twee grote beeldhouwers in de Noordelijke Nederlanden werkzaam geweest: Artus Quellinus (1609-1668) en Rombout Verhulst (1624-1698), beide Zuid-Nederlanders en katholieken. De eerste schiep zijn meesterwerken aan het raadhuis te Amsterdam; zijn marmerreliëfs en standbeelden vormen er nog de grootste schoonheid van. De tweede werkte ook onder Van Campen aan het raadhuis en schiep tientallen grootse grafmonumenten, o.a. dat van Michiel de Ruyter te Amsterdam, dat van Tromp te Delft, dat van Kortenaer te Rotterdam en dat van de Evertsens te Middelburg. Beiden werkten ook voor de paleizen van de Oranjevorsten. Er is niets geforceerds in, de vraag te stellen, wat aan het Huis ten Bosch, dat zijn grootste glorie ontleent aan de Triomf van Frederik Hendrik door de Zuidnederlander Jordaens, en aan het Amsterdamse wereldwonder te bewonderen overbleef, als wij het werk van de katholieke kunstenaars wegdenken. Zo belangrijk in kwantiteit en in gehalte is het aandeel van katholieken aan de ontwikkeling van de plastische kunsten in de zeventiende-eeuwse Republiek.
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Marq
Credimaster
*********
Offline Offline

Posts: 1 759



WWW
« Reply #5 on: 05 August, 2008,; 16:45 »

Dat ga ik morgen eens goed lezen, als ik de tijd heb.
Logged

"If you think you understand it, it isn't God. " - Saint Augustine
"I find your lack of faith... disturbing." - Darth Vader (geinspireerd door Logiclane)
Blog: http://incaelo.wordpress.com
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #6 on: 05 August, 2008,; 16:46 »

Dat ga ik morgen eens goed lezen, als ik de tijd heb.
Grin Dit is pas het begin.  Evil Wink
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #7 on: 05 August, 2008,; 16:48 »

2. Letterkunde

Eer dan in de schilderkunst - onze onsterfelijke roem in de wereld hebben de tijdgenoten in de letterkunde - ongelezen zelfs door onze naaste buren - het monument van hun eigen grootheid gezien: de schilders bleven voor de publieke opinie, dat is dan altijd de opinie van de intellectuele bovenlaag der natie, min of meer begaafde en bruikbare werklui, maar de dichters waren hogere wezens en tot hen zag men met eerbied op. Troetelkind van de natie, zal dus de zeventiende-eeuwse letterkunde de geest van de tijd en het volk het getrouwst moeten weerspiegelen.
De vraag, of onze grote dichtkunst uit de bloeitijd, waarnaar wij sinds Potgieter en Thijm elke nieuwe generatie heimwee leren hebben, van de Geneefse of Dordtse desem doortrokken is, vraagt wel de inleiding van een nadrukkelijk distinguo. Hier schijnt veel misverstand te zijn.
Het is immers niet alleen een vraag van de esthetische orde, die wij hierbij moeten beantwoorden. Dan waren wij spoedig klaar. 'Bij Vondels glans verbleekt al het overige' en een eenvoudige revue van onze belangrijke dichters uit de zeventiende eeuw zou kunnen volstaan als negatief antwoord op de vraag, of het werk van calvinistischen huize naar kwantiteit of naar esthetische kwaliteit op de voorgrond staat. Maar de mogelijkheid is er, dat onder de vooraanstaanden een of meer figuren schuilen, die - al is hun werk gering van omvang en al wordt het in kunstwaarde door dat van anderen overtroffen - als vertegenwoordigers van de veldwinnende stroming dichter dan Vondel staan bij het geestelijk ideaal van de Hollandse vriend der schone letteren in de zeventiende eeuw. Het is niet waar, dunkt mij, dat Joost van den Vondel de beste vertegenwoordiger zou zijn van de Hollandse intellectueel op zijn mooist. Hoe nationaal ook, Vondel was ten eerste te sterk Groot-Nederlands gericht om de provinciale trots van de zeventiende-eeuwse Hollander volkomen te kunnen delen of maar waarderen - aan hoevele van zijn tijdgenoten zou eigenlijk de tendens van de Leeuwendalers duidelijk geweest zijn en, zo zij dit was, welkom? - en ten tweede moet hij toch reeds die intellectuele tijdgenoten te veel boven het hoofd uitgevlogen zijn. Het komt mij een te vlug geformuleerde wet voor, dat Vondel, omdat hij van allen de diepste is, ook de meest Hollandse, de meest zeventiende eeuwse dichter zou zijn, zodat het een soort van verraad aan de natie zou zijn, naast hem nog vreemde goden voor ogen te hebben. Naast Vondel Huygens lief te hebben, bijwijlen de laatste boven de eerste te prefereren, is een bekentenis, waarvoor een katholiek Nederlander geneigd is vergiffenis te vragen, sinds een wat mateloze Vondelcultus zich schijnt toe te leggen op het uitwerken van antithesen als Vondel en Erasmus, Vondel en Bilderdijk, Vondel en Hooft, die alle min of meer de strekking verraden de ongelukkige bondgenoot in het geforceerd tweemanschap te meten aan de wereldhelft en, als te klein bevonden, de woestijn in te zenden. Het is niet op deze manier, dat een zuiver beeld van de zeventiende-eeuwse litteratuur in haar verhouding tot het algemene culturele leven te onzent getekend wordt. Mij komt het voor, of van alle geestelijke aristocraten onder de zeventiende-eeuwse letterkundigen - deze kring wordt vrij klein, daar naast Cats ook Bredero moet afvallen - niet Vondel, maar Huygens de meeste kans maakt, Holland op zijn best te representeren. In zijn persoon en in zijn werk schijnt mij de Haagse hoveling meer dan de Amsterdamse burger een vertegenwoordiger van de geestelijke beschaving, die in de bovenlaag van de Hollandse stadsbevolking leefde. Zelfs komen mij Huygens' gebreken, zijn 'overmaat van het intellect en misbruik van het vernuft' en zijn zin voor een vulgair soort humor, die wij in een kerks en beschaafd man onduldbaar en nauwelijks bestaanbaar vinden, meer Hollands voor dan de gloed en de geestdrift van Vondel, ook al erkennen wij in diens hekeldichten en bruiloftsverzen een trek, die hem aan Huygens verwant doet blijken, telkens als - naar het pathetische woord van een seminarieprofessor - 'de maagdelijke muze over haren gunsteling moest blozen en de fenix-vogel zijn brede pennen aan lager struiken kwetste', Maar hebben zij dan ook het een en ander gemeen - wat bij tijdgenoten zo vreemd niet is -, dan schijnt het voor wie de Hollandse geestesaristocratie van de zeventiende eeuw wil nabijkomen, toch praktischer, op Huygens dan op Vondel te letten.
Is Constantijn Huygens - bij al zijn calvinisme - een type van de Hollandse calvinist? Ik kan het met de beste wil niet in hem zien, evenmin als ik het type gaaf terugvind in Jacob Cats. De katholiek-opgevoede Cats heeft het calvinisme aangetrouwd en het sindsdien zonder last van twijfels tot zijn dood meegedragen, maar lijkt in zijn brave trouw aan het kerkse leven en denken toch altijd sterk op de rentenier van Van Koetsvelds dorp, die de godsdienst te vriend hield, omdat als het erop aankomt - 'iedereen bang is voor nommer één'. Wat is er in deze schipperaar over van het heroïsche, dat het calvinisme in en door zijn steile beperktheid toch altijd kenmerkt? Cats' calvinisme is in zijn gemoedelijke wetsgetrouwheid nergens heldhaftig, maar steeds van een praktische gemoedelijkheid, ook te zeer van het burgerlijk nuttigheidsbeginsel doortrokken en zelfs te dicht gebleven bij de praktijk van de werkheiligheid om op de zuivere schaal van Dordt de strenge proef gaaf te doorstaan. De raadpensionaris zonder ruggegraat, wiens politiek beginsel bestond in het streven alle klippen behoedzaam te ontzeilen, heeft evenmin iets van de stoere zelfverzekerdheid, die een calvinistisch staatsman groot kan maken, als de rentenier van Zorgvliet in zijn levensstijl van het wereldvliedend puritanisme. Zo Cats dan een vertegenwoordiger is van het Hollandse calvinisme, kan dit niet geheel van het type zijn, dat de geschiedenis geijkt heeft, en alle zijne werken prediken een gemoedelijk-ethische christelijkheid, die wel ver beneden de fanatieke eenzijdigheid van Calvijns leer en de consequente steilheid van de gereformeerde levenspraktijk blijft. De proef op de som van deze tekorten aan positief calvinistische geest leveren Cats' populariteit in de Zuidelijke Nederlanden en zijn navolging door een zo uitgesproken katholiek als Adriaan Poirters. Nog tijdens zijn leven werd hij in het zuiden gelezen en bewonderd in alle kringen. Hij moet wel zowat de eigen lijfpoëet geweest zijn van de aartsbisschop Jacob Boonen, als de anekdote waar is, volgens welke deze primaat der Nederlanden Vondels ijver zou hebben trachten te prikkelen door hem Cats' voorbeeld voor ogen te stellen. Had Cats' oeuvre een uitgesproken calvinistische geest geademd, zou dan de kerkelijke overheid in de Zuidelijke Nederlanden de lezing ervan niet verboden hebben? Dan zou in het tegen de 'infiltration protestante' uit het noorden altijd zeer waakzame Vlaanderen Cats' foliant niet tot in de negentiende eeuw de geliefde lectuur gebleven zijn. Hij is het misschien ten dele nog, want er zijn Vlaamse klerikale schrijvers van stichtelijke boeken, die hun tekst doorspekken met citaten uit vader Cats, iets, dat een Hollands priester niet licht zal doen.
In de brede Huygens - veel meer een geestesaristocraat dan de veelbelezen en veelwetende Cats - leven tal Van tegenstellingen onverzoend naast elkaar, maar toch vinden zij een evenwichtige synthese in de wijsgerige onverstoordheid, die hem tot een goed diplomaat en hoveling maakte. Wat Huygens mist, wat hem naast Vondel klein doet blijven, is de heilige onrust, die alles terzijde stelt om het ene grote probleem tot het uiterste door te denken, de weloverwogen zelfbeperking, die alles in de crisis op één kaart doet zetten. Huygens heeft geen crisis gekend en de tegenstellingen in hem hebben zijn gemoedsleven niet gespannen.
Het zal wel een deel nuchtere oppervlakkigheid zijn, maar ook daarin schijnt hij het gemiddelde van de schrandere Hollander, die, beseffend niet al het kromme recht te kunnen maken, vrede nam met zich zelf en met zijn plaats onder de zon. Huygens was een godsdienstig mens, een calvinist, zo men wil, maar hij streed met het vuur van een zeer muzikaal man voor het gebruik van het verfoeide orgel in de eredienst.
Hij was antipapist en werd grof genoeg in zijn pogingen om Tesselschade terug te doen keren op 'de weg naar Rome van Genève', maar in bijna elk van zijn grotere werken bepleit hij opportunistisch een vredige gewetensvrijheid, die hij onmogelijk te Dordt geleerd kan hebben.
Hij verkeerde met Descartes in een onbevangenheid, die Voetius verbijsterde en ergerde, correspondeerde met Nederlandse priesters als Ban en Bloemaert en Zuidnederlandse jezuïeten en hij was het voornamelijk, die zoveel katholieke Zuidnederlandse kunstenaars aan de dienst van Frederik Hendrik verbond.
'Universeel talent zonder den stempel van genialiteit', ja zelfs met een wat zonderlinge afwezigheid van alle behoefte om de tegenstellingen te verzoenen, die zijn veelzijdige geaardheid levenslang in hem opriepen, is hij misschien meer dan enig ander beschaafd Nederlander de vertegenwoordiger van de geestelijke elite der Hollandse burgerij, niet van de nauw om de preekstoel gedrongen kleine groep, maar van de veel wijder kring van kerkse gelovigen, die de predikanten minzaam ontvingen, doch meer als beschermelingen dan als zieleherders, voor zich geen afstand wensten te doen van hun humanistische liefhebberijen en het steile dogma van het enig-nodige, waarbuiten alles ijdelheid en zelfs zonde is, in hun diepste hart bekrompen hebben gevonden. Ten nauwste een met het volk van land en stad, waarvan hij - niet alleen in zijn rauw blijspel, maar scherper en trouwhartiger en zeker bekoorlijker in menig detail van zijn Hofwijck en zijn Batave Tempe - de taal en de zeden wist weer te geven, staat hij met zijn beschaafde geest vooraan onder de eerste koppen van de tijd. Marinist en als zodanig meer door de Europese mode bedorven dan enig ander Nederlands dichter van zijn tijd, legde hij toch, dank zij zijn mathematische kop, in deze cerebrale poëzie meer natuur dan oppervlakkig mogelijk schijnt en zo ver als hij zich door zijn eeuwig woordenspel van zijn volk schijnt te verwijderen, zo stellig representeert hij het in zijn koele humor, zijn wat logge geestigheid en zijn verstandelijk moraliseren.
Het is geen imposant beeld, dat wij aldus van de intellectuele elite der zeventiende-eeuwse maatschappij krijgen, maar de aantrekkelijkheid ervan te ontkennen, zou moedwillige blindheid zijn voor juist die deugden, die dit Hollandse volk in zo uiterst korte tijd tot zo grote daden en zo grote, ook geestelijke, overwinningen in staat stelden. Het zijn zijn evenwichtigheid - niet verkregen zonder het negeren van onopgeloste problemen, dus meer koel-berustend dan triomferend -, zijn overwegend-verstandelijke begaafdheid, zijn nuchtere eenvoud en zijn arbeidzaamheid. Een voor een geen heldhaftige trekken en ook samen ten hoogste de uitrusting van een gemoedelijk burgerman, die niet veel van de held of van de heilige heeft, is het complex toch in staat gebleken, een flegmatisch volk tijdelijk aan de spits van het Europese geestesleven te brengen. Er was orde en systeem in de culturele samenleving van de Republiek, wijze en gemoedelijke matiging in alles. Het is zeker niet calvinistisch, maar het kan wel protestants zijn en dit protestantisme in Huygens gerepresenteerd te zien, is voor geen van de twee compromittant. Huygens is het aantrekkelijkste type van de zeventiende-eeuwse beschaafde, gelovige, maar niet fanatieke protestant, van nature antipapistisch, maar in de toepassing daarvan - als in al zijn doen en laten - gematigd en opportunistisch.
Nu Hooft vreemd bleef aan de geest van het calvinisme en aan de religie nauwelijks een plaats in zijn werk inruimde, zou het alleen bij Bredero moeten zijn, dat wij de calvinistische geest moeten zoeken, zo hij dan werkelijk nog een stempel gezet heeft op het oeuvre van onze coryfeeën. Zo goed Hollands de scherpe opmerker Gerbrand is, zo weinig heeft deze zoon van een doperse moeder van een calvinist. Het zondebesef van zijn aandachtige liederen is niet dat van de calvinisten; hij zit niet gevangen in de kerker van het besef der natuurlijke zondigheid, maar hem wroegen de zeer concrete misstappen van het eigen verleden en zijn bede van 'zalig in den Heer' te mogen leven en sterven heeft niets, wat een christen van welke confessie ook zou kunnen afwijzen, of het moest een al te enghartig belijder van de predestinatie zijn.
Er is een calvinistische woordkunst, van het tweede plan weliswaar, maar van hoog en zuiver gehalte. Zij uit het beste, wat de leer de belijders kan schenken: de overgave van hem, die zich verlost weet door het kruis en uitverkoren tot de eeuwige zaligheid. Zulke poëzie is eenzijdig als de onveranderlijke parafrase op Sint-Paulus' woord 'Ik leef, maar niet meer ik, doch Christus leeft in mij', als het speeltuig met één enkele snaar, maar zij kan ons verstild doen luisteren naar de zuiverheid van haar zachte klank. Zo kennen wij Jacob Revius in zijn 'Overijsselse zangen en dichten' en Jeremias de Decker, beide ondanks een polemische en vooral antipaapse geest oprecht en zuiver in de uiting van hun geloof. Bij hen sluit zich straks de eenzelvige Heiman Dullaert aan, te piëtistisch aangestreken om de zuivere calvinist te kunnen voorstellen, maar toch in zijn kort kunstenaarsleven een gaaf voorbeeld van de puriteinse ingekeerde, levend in de wereld, maar niet vàn de wereld. Deze calvinistische lyriek maakt een waardevol deel uit van de zeventiende-eeuwse litteratuur, maar dan toch een bescheiden deel, waarnaast niet alleen het aandachtige lied van Bredero en het zachte geluid van de stille remonstrant Camphuyzen andere dan calvinistische stemmen zijn, maar ook het katholieke element in de grote en kleine woordkunst een plaats inneemt.
Principieel het zuiden uitschakelend - het gaat immers om de vraag naar de betekenis van het katholicisme voor de Noordnederlandse cultuur der zeventiende eeuw -, houden wij, buiten Stalpaert en Vondel, niet veel dichters van betekenis over, die in hun werk katholieke vroomheid of katholieke levensvisie uitten: Spieghel, Anna Roemer Visscher, Maria Tesselschade, Jan Vos, Franciscus Snellinx, Joannes Serwouters en Reyer Anslo zijn geen van allen bepaald representatief. Het heeft iets merkwaardigs, dat drie van deze zeven, evenals Vondel, bekeerlingen zijn. Men versta deze term echter niet in de strikt twintigste-eeuwse zin.
Er is in vele zeventiende-eeuwse convertieten, meer dan in de huidige, sprake van een originele affiniteit tot het katholicisme, tijdelijk gevlucht in doperse of remonstrantse vrije gemeenschappen, maar ten slotte teruggekomen tot het uitgangspunt. Men vergeet misschien bij het beoordelen van de motieven, die zovelen tegen het midden van de zeventiende eeuw tot de schaapstal terugbrachten, te veel, dat zij het protestantisme vaak nauwelijks metterdaad beleden hadden. Hergekomen van het enkel ene, hadden zij, als in ballingschap verschoven, gedoold, om, als de lelie van het kompas, al dwalende 'de starlichte as' te hervinden.
Ten minste is er zo iets in het spel bij Vondel en de gezusters Visscher.
Geen bekeerling, maar wel een teruggekeerde, was Hendrik Laurenszoon Spieghel, de koopman-humanist, man van harmonische beschaving, heel zijn leven krachtens zijn superioriteit van hart en hoofd de leidende figuur in de kring van Amsterdamse intellectuelen. Met zeer weinig aanleg en waardering voor het dogmatische en een uitgesproken neiging tot moraliseren op zuiver natuurlijke gronden, past hij in het raam van het christelijk humanisme, zelfs waar het tot een goedige oppervlakkigheid afdaalt, die de problemen liefst uit de weg gaat. Wij citeerden reeds de voor deze houding zeer typerende regels uit zijn 'Jubeljaarlied op simpelijk geloven en weldoen'. Toch was hij omstreeks 1600 al tot groter stelligheid van belijdenis teruggekeerd, dan hem vóór die tijd van het hart kon. Waarschijnlijk onder de invloed van zijn vriend Dirk Volkertszoon Coornhert moet hij de eerste vijftig jaar van zijn leven een op humanistische grond verdedigde schakelpositie hebben ingenomen tussen katholicisme en protestantisme; dit was vermoedelijk beginsel. De moraal ging hem boven het geloof en alle partij-kiezen voelde hij als eenzijdigheid. Het christelijk humanisme van zijn eerste levenshelft schijnt zelfs nauwelijks christendom genoeg over te houden om niet stoicijns te heten. Sinds Coornhert in 1590 gestorven was en zienderogen diens met kracht en zelfverloochening nagestreefde idealen van geestelijke vrijheid en vergaande tolerantie een aanfluiting voor de bovendrijvende richting waren geworden, nam de teleurgestelde Spieghel steeds duidelijker het standpunt van de dolerende en eindelijk zelfs van de protesterende in en ofschoon van katholieke vroomheid in zijn gedichten nauwelijks sporen te vinden zijn, is het verdere leven van deze irenische man één waardig protest tegen de woordbreuk, jegens de katholieken te Amsterdam en in zoveel andere steden bij het schenden van de satisfacties gepleegd. In 1589 schreef hij ronduit aan de Staten van Holland, dat deze woordbreuk jegens de katholieken hem zou blijven weerhouden enig ambt in de Republiek te aanvaarden. Hij heeft dit woord gehouden en liever de op een weigering gestelde boete betaald dan het lidmaatschap van de admiraliteit te Hoorn te aanvaarden. Als factor van de Eglantier, als gastheer van kunstvrienden en mentor van jongeren, als pionier van de zeventiende-eeuwse taalzuivering, die onze half-geromaniseerde taal te juister tijd 'van onduits schuimde', als auteur van de 'Tweespraak van de Nederduitse letterkunst' staat Spieghel chronologisch vooraan in de rij van grote letterkundigen. Zijn invloed op Hooft vooral is - naast die van zijn eigen werk - zijn grote verdienste.
Onverdacht van paapse voorkeur, noemt Simon van Leeuwen de deugdzame en geleerde Stalpart van der Wiele 'de zoetvloeiendste poëet, die Holland doenmaal hadde' . Deze edelman, zoon van vermogende, invloedrijke ouders, kwekeling van Leiden, Orleans en Leuven, jurist en theoloog, begaafd met rijke talenten, koos boven alle aardse roem en rijkdom de verachte en door de vervolging gevaarlijke, ook afmattende loopbaan van de zwervende missionaris. Hij is een van de vroegste verzorgers van Sasbouts eigen missiegebied; te Delft gevestigd, bewerkte hij heel het Westland en de omliggende steden, waar hij in gestadig gevaar de stille zielzorg in allerlei schuilplaatsen uitoefende. Aristocraat naar de geest, vond deze zachtmoedige en fijngevoelige man in zijn nauw verkeer met het volk van land en stad zijn roeping in de prediking, de stichting en de populaire polemiek. Als dichter van godsdienstige liederen in de volkstoon blijft hij echter de gevoelige beheerser van klank en ritme. Zijn afdalen tot het volk wordt nooit vulgariseren en zijn geluid behoudt altijd een voorname en zuivere muzikaliteit. Bewust verzakend aan de renaissancistische statigheid en vormvolmaaktheid, schreef hij in deze natuurlijke eenvoud over de zoetheid van het geloof, de zekerheid, die het biedt als de enige troost in aardse rampen, de kracht, die het schenkt om vervolging en verachting te dragen en blij te zijn. Gevoeliger voor de tere klank, vaardiger in de ongedwongen bouw van zijn variabele strofen en in zijn eenvoud feilloos zeker in de keuze van het woord, dat zijn zachte bewogenheid evenwichtig weergeeft, staat deze Delftse missionaris boven de meeste lyrische dichters van zijn eeuw.
Voor deze waarheid bleven zelfs de tijdgenoten niet blind.
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #8 on: 05 August, 2008,; 16:50 »

...vervolg van 2:

Jan Vos (1620-1667) kan de katholieken, wat de esthetische en de religieuze waarde van zijn werken aangaat, gestolen worden. Ook is deze aanmatigende schreeuwer zonder beschaving en met niet meer dan oppervlakkige kennis, deze jager op grof effect, geen type, waardoor men zich graag gepresenteerd ziet. Het Senecaanse drama is bij hem tot een huiveringwekkend spektakelstuk uitgegroeid en daarom is het te grof, hem de Hollandse Shakespeare te noemen, al is zijn visie op eisen en mogelijkheden van het toneel sterk aan dat van de grote Engelsman verwant. Het kasstuk 'Aran en Titus', dat in de achttiende eeuw de risee van het publiek was en ons de charge van een kermisdraak lijkt, werd, toen het als eerste werk van een nauwelijks twintigjarige dichter voor het voetlicht kwam, door mannen als Vondel en Barlaeus geprezen als hoge kunst. Het moet toch iets van de Shakespeariaanse stoutheid van conceptie zijn, dat zulke kenners aanvankelijk zo deed oordelen. Dat hij zich over de vunze klucht van Oene, eveneens een produkt van zijn vroegrijpe jeugd, later geschaamd schijnt te hebben, pleit voor hem, indien nog niet voor zijn esthetische smaak, dan voor zijn zedelijk gevoel. Als schouwburgdictator kwam hij de smaak van de engelenbak in het gevlij met dezelfde platte kruidenierslogica, die hem al zijn leven tafelschuimer van Amsterdamse patriciërs deed zijn, gevoelig voor de eer, maar blijkbaar nog meer voor de duiten. Maar al bedierf zijn smakeloosheid Vondels beste stukken door ze met ordinaire spektakelvertoningen te doorspekken, dan behoeft het nog geen doodzonde te zijn, als men zijn ongekunstelde kijk op wezen en doel van het toneel rou durven verkiezen boven Vondels wettische trouw aan Aristoteles. Bij het rumoerige, kijkgrage volk, dat een paar stuivers overhad voor een staanplaats in de oude schouwburg, de passagierende matrozen, die voor hun goede geld de sterke prikkels verlangden van taferelen van moord en doodslag, van rauwe en platte scherts en die al kijkende hun ruzies beslechtten, bier dronken, noten kraakten en niet zelden tot vechten overgingen, mensen met primitieve sentimenten, die naar grove affecten van vertedering, hartstocht en haat snakten en die hun bijval of afkeuring onverbloemd en onbeschroomd plachten te uiten, kon een schouwburgregent met de beheerste en gestileerde kunst van Vondel niet veel successen bereiken. Jan Vos kende zijn pappenheimers en bediende hen naar hun smaak. Met dat al blijft het het opmerken waard, dat deze katholieke glazenmaker zonder diepe ontwikkeling en zelfs zonder goede manieren twintig jaren aan één stuk de Amsterdamse schouwburg beheerst heeft, al maakt de afzijdigheid van de gereformeerden ten opzichte van alle toneel het geval niet onverklaarbaar. Het is wel niet aannemelijk, dat Jan Vos er bepaald mee te koop gelopen heeft, maar blijkens zijn gedichten stak hij zijn katholiciteit toch evenmin onder stoelen of banken. Vergeefs zal men in zijn werken naar religieuze lyriek van enige waarde zoeken: zijn 'Goede Vrijdag' is naast die van de calvinist Jeremias de Decker het noemen niet waard. Vos was dan ook waarschijnlijk geen vroom man. Toch toont zijn lichtgeraakte gevoeligheid voor aanvallen of schimpscheuten op zijn geloof op onbedrieglijke wijze zijn trouw aan de kerk, zoals zijn gelegenheidsgedichten op gehouden preken of bij priesterfeesten zijn praktizeren bewijzen. Meer persoonlijke religieuze kleur heeft een enkel gedicht van de met Jan Vos bevriende Haarlemse rederijker Franciscus Snellinx (1627-1669), die zich o.a. in 'De roomse reize van Kristina', gedicht bij de bekering van de Zweedse koningin tot het katholicisme, als een overtuigd katholiek deed kennen. Daarentegen is van de schouwburgregent Joannes Serwouters, een tweederangs toneeldichter, die ook enige lyriek schreef, niet veel meer bekend dan dat zijn ouders katholiek waren en hij zelf, blijkens zijn huwelijk in een katholieke kerk, eveneens.
De beminnelijke dochters van de ronde Roemer zijn uitgesproken typen van terugkerenden tot het vaderhuis, dat zij met het hart nooit hadden verlaten. Opgevoed in een libertijns gezin, intiem met de Spieghels bevriend, in humanistische geest gevormd, onder de indruk van de Dordtse triomfen en het geding tegen Van Oldenbarneve1t c.s. sterk vooringenomen tegen het calvinisme, behoefden zij geen krachtige invloeden van andere bekeringen om de weg naar Rome te vinden. Zij zijn van de edelsten onder onze grote figuren van de zeventiende eeuw en tonen ons de Noordnederlandse vrouw van innerlijke en uiterlijke beschaving in bijna ideële gestalte. Geen andere vrouwen zijn dan ook zozeer geïdealiseerd als zij. Het zegt voor wie scherp toeziet het een en ander, dat deze modeltypen van de Hollandse vrouw van beschaving, zoals wij ons die het liefst voorstellen, beide op rijpe leeftijd kracht en vrede vonden in het katholicisme. Hun letterkundig werk - in het algemeen reeds tijdens hun leven te zeer opgevijzeld - betekent niet veel, ook niet als uiting van hun vroomheid, maar het zijn de veelzijdigheid van hun geest, de zuiverheid van hun intuïtie, de eerlijke eenvoud van hun door geen lof verwend karakter, die hen tot vertegenwoordigsters van Holland op zijn nobelst maken. Evenals Vondel van dopersen huize, ging de Amsterdammer Reyer Anslo (1626-1669) in 1650 in Rome tot het katholicisme over. Hij zag zijn vaderland nooit terug en heeft door zijn letterkundig werk slechts geringe betekenis.
Als er niemand anders was, die door zijn werk als Nederlands dichter de katholieke stem van de zeventiende eeuw genoemd mocht worden, kon Vondel alleen reeds bewijzen, hoe ongerijmd het zou zijn, aan te nemen, dat de cultuur van de veelgeprezen grote eeuw van Hollands bloei met een Hollands-calvinistische maatstaf gemeten kan worden. De bekeerling Vondel is een wereld op zich zelf en zijn bekering is een proces van wijder betekenis dan de thuiskomst van elke andere eenling. De doopsgezinde humanist, die als leerling van Erasmus, Spieghel en Grotius het droef resultaat van een in sektarische versplintering uitlopende kerkscheuring leerde betreuren, werd door de heldenmoed van zijn consequentie en de innigheid van zijn mannelijke vroomheid boven zoveel anderen een groot representant van de katholieke reformatie.
Tussen Gijsbrecht en Maagden lag voor Vondel de hervonden parel: de inkeer en de bekering. Het kan nauwelijks zonder zin geweest zijn, dat zijn intreegift aan de nieuwe geloofsgemeenschap juist het stuk van de Keulse martelaressen moest zijn. Gaf aan Gijsbrecht reeds het katholiek-liturgisch element kleur en toon, Maagden was ervan doordrongen, geboren als het was uit de blijde stemming van de thuisgekomene. In Gijsbrecht vormen bisschop en kloosterzusters een treffend middenstuk, maar in Maagden heeft de aartsbisschop letterlijk het eerste en het laatste woord. Terwijl Gijsbrecht eerbiedig aanduidt en verwijst, wordt in Maagden getuigd en beleden, geloofd in de heilige Eucharistie, in de voorbede van de heiligen, in het gebed voor de overledenen. Moest Gijsbrecht eindigen met de wrange voorspelling, dat eens het rooms altaar met kracht uit alle kerken zou worden geschopt, uit de met Rafaels optreden geheel evenwijdige verschijning van Ursuls geest aan het eind van het vijfde bedrijf is alle dubbelzinnigheid verdwenen: zij voorspelt, dat het heilig Agrippijn steeds zal volharden als een oprechte roomse dochter. Reeds Keulen heeft het Vondel aangedaan. Men kan peinzen over de gril van het lot, die de grootste Spaanse Brabander, die ooit Amsterdammer geworden is, deed geboren worden in het oud en heilig Keulen. Lijkt deze schikking grillig, zij is natuurlijk, daar de weg van de Vondelfamilie het type is van de woestijntocht van zoveel verstrooiden en berooiden. De gril van Vondels Keulse geboorte belichaamt een stuk geschiedenis van stam en staat, van godsdienst en van strijd om het bestaan. Niet minder om den brode dan om den gelove uitgeweken, behoren de Vondels tot de scharen van Zuidnederlandse emigranten, die in de jaren van Parma's successen het Rijnland overstroomden, wachtend op het gunstige getij, dat hun veroorloven zou, binnen te vallen in de haven der behoudenis, de steden van het vrijgevochten Holland. Hoeveel Keulen betekend heeft voor het kind, dat, oud geworden, nog heugenis had aan het ruisen der baren van zijn 'trekkenden geboortestroom', toen hij 'huppelde op de Keulse kaai', laat zich afleiden uit de warmte, waarmee hij, waar hij de stad ook noemt, zijn eigen afkomst uit Keulen gedenkt. Levenslang moeten hem ook stemming en wijding van de oude Keulse heiligdommen, herinneringen aan openbaar vertoon van liturgisch leven, heel de katholieke sfeer, waarin oud-Keulen ademt, zijn bijgebleven. Want Keulen was een katholieke stad, ternauwernood veilige herberg voor protestantse vluchtelingen.
Het mocht dan al tijdelijk wijkplaats zijn voor de Antwerpse doopsgezinden, die voor Parma vluchtten, veel meer dan dat was de Rijnstad de toevlucht voor Noordnederlandse katholieken, priesters en patriciërs, door geuzenterreur opgejaagd en uitgedreven. De Nederlandse kolonie, waartoe de Vondels te Keulen behoord hebben, is in meerderheid katholiek geweest. De eigen familiekring was trouwens volstrekt niet homogeen. Altijd zijn er onder Vondels naaste verwanten katholieken geweest en, wat hem zelf betreft, kunnen wij ons afvragen, of de dichter niet eerst na en door zijn huwelijk een positief belijder van het doopsgezinde gevoelen is geworden. En het lag niet in zijn ernstige aard, het half te zijn; een goed menist is Vondel zeker geweest. Zijn ingetogen aard, zijn strengheid voor zich zelf, heel die treffend-zuivere harmonie van leer en leven, de afwezigheid van alle laags en onedels in zijn karakter, stemmen natuurlijk met de geest van de stille kring overeen.
Zo hij daarvan afwijkt, is het waarlijk niet in mindere gestrengheid van zeden, maar in zijn door zo grote gaven gevoede voorkeur voor het toneel. Hij is niet de enige Amsterdamse doopsgezinde, die op dit tere punt uit de effen toon valt. Zijn afwijking lijkt de onschuld zelf, als wij het ironische geval bezien, dat alle drie onze bekendste blijspel dichters:
Bredero, Asselijn en Langendijk, van menisten huize waren. Wat Vondel aangaat, valt hier te vragen, of die liefde voor het toneel - vanouds immers het echte kind van de kerk - ook niet behoort tot het katholiek substraat van zijn persoonlijkheid. Familieherinneringen en de heugenis aan het oud en heilig Keulen hebben door dit leven de draad getrokken van het heimwee naar het altaar, naar de christelijke cultus van alle heiligen en alle zielen. Wanneer heeft Vondel ooit opgehouden de heiligen te vereren? Te Keulen woonde de bloem van Noordnederlandse katholieke uitgewekenen. Met de Vondels vertoefden er in de jaren negentig van de zestiende eeuw immers adellijke kanunniken als Rennenberg en Bruhezen, benevens andere schipbreukelingen van de oude bedeling, afgemat neergezegen in de schaduw van Keulens heiligdommen. Maar hetzelfde Keulen zou ook de centrale van de katholieke reformatie voor het Rijnland en zijn uitgestrekt achterland worden. Naast de vermoeide defaitisten herbergde de stad pioniers van de nieuwe geest als Vigerius, Sasbout en Tilman Vosmeer, straks Rovenius, Eggius en Marius. Dit oord van ballingschap wordt bakermat van de Hollandse Zending, centrale van de wederopluiking, pépinière van de missionarissen, dank zij Sasbouts college Alticollense, het huis op de hoge heuvelen, waarnaar verweesde Hollandse katholieken hunkerend en heilbegerig leerden uitzien om redding in de verlatenheid. Kwekeling, later hovenier van dit seminarie was de Zeeuw Leonard Marius, die, levietenleider af, eindelijk mee de vissersarbeid in de missie kwam verrichten, de rijke visser, die eerlang beloond werd met de vangst, waarvan de netten dreigden te scheuren. Was het dom toeval, dat deze Zeeuwse ex-Keulenaar de Keulse maagd en martelares Sint-Ursula tot patrones maakte van de Amsterdamse Begijnenkerk, dan zou het nog dommer gril van het lot geweest zijn, dat hij juist de in Kenlen geboren, in Keulse herinneringen verdiepte Vondel in deze Sint-Ursulakerk inlijfde bij de kudde en dit nog wel in dezelfde maanden van 1639, waarin de dichter zijn treurspel wijdde aan Keulen, aan Sint-Ursula en haar elfduizend maagden.
In 1637 hadden Amsterdamse regenten Vondel aangespoord om Amsterdam in een treurspel te vereeuwigen: de Gijsbrecht ontstond, het drama van de onnozel-vermoorde stad en haar heer, het drama, dat om zijn paapse kleur zoveel opzien en misnoegen wekte en toch, sterk in zijn speelbaarheid, het repertoire nooit zou verlaten. Eer een jaar verstreken kan zijn, moet de begijnenvader Marius, zelf boordevol Keulse herinneringen, in de dichter de sluimerende gedachtenis wakker geroepen hebben aan de geboortestad aan de Rijn en hem de bronnen geopend hebben tot de stof, die in Maagden gestalte zou vinden en zou strekken tot verheerlijking van beider dubbele liefde: de stad aan de Rijn en het daar vrij beleden geloof. Zo legt dit treurspel van de Keulse heilige getuigenis af van de mystieke betekenis, die het grillig feit van Vondels geboorte te Keulen voor zijn levensgang heeft gehad. V onGels geboortestad, eens het Babylon van zijn ouders, voor hem heel zijn leven door stad van heimelijke aantrekkingskracht, werd in de stille maanden van 1639, toen in Sint-Ursula's heiligdom zijn laatste twijfels verijlden, het Bethlehem van zijn wedergeboorte.
Deze verwijzing naar een katholiek substraat in het religieuze leven wil echter niet de schijn wekken, of het bekeringsproces geen zaak van veel arbeids was. Legio zijn immers ook vandaag de katholiserenden, die nooit katholiek worden en levenslang blijven weifelen op de tweesprong.
Behalve het onnaspeurlijke element van de genade is er ook die wedergeboorte in ootmoed voor nodig, die, blijkens de ervaring, juist veel grote geesten onoverkomelijke moeite kost. Bij zoveel duizenden kleine mensen is, naar terecht wordt opgemerkt, de harmonie van staatsburgerschap, maatschappelijke en huiselijke positie en katholiciteit meer een tweede natuur dan bij menige grote bekeerling, maar zo Vondel naar wij reden hebben om aan te nemen - daarop een uitzondering maakt, komt het door de ootmoed van zijn karakter, die, verbonden met de scherpte van een tot de uiterste consequenties doordenkend vernuft en met een heel zijn leven kleurende vroomheid, hem tot een christenheId heeft gemaakt.
Allerlei tegenstrijdigs is te berde gebracht om enerzijds te betogen, dat aan de katholieke Vondel nauwelijks iets katholieks te bekennen is, zodat een veelwetende vrouw, die het spreken over 'een katholieke Vondel' een dwaasheid noemt, in volkomen gemoedsrust durft constateren:
'Hoe goed zoon der moederkerk hij geworden is, zijn kunst draagt daarvan nauwelijks enig stempel', en anderzijds vol te houden, dat de katholieke Vondel 'buiten zijn volk en zijn tijd om geleefd zou hebben in de kloostercel van middeleeuwse dromen'. Het een zowel als het ander verbijstert. Er is in Vondels werk geen breuk, noch in het religieuze noch in het nationale. Wat het laatste aangaat, is er inderdaad alle reden zich te verwonderen over moderne scherpzinnigheid, als deze beter ingelicht wil zijn dan dominee Gerard Brandt, die lang met Vondel zelf verkeerde en verklaarde, dat 'zijne roomsheid zijne liefde tot den staat en de vrijheid niet verminderd' had. Zulk een vindingrijkheid moet het uitgangspunt zijn van voorstellingen, die de dichter van de Leeuwendalers in een benauwend parket geplaatst zien, toen hij een overwinning te bezingen kreeg, die hij krachtens zijn beginsel immers moest verfoeien. Daaruit zou het dan ook te verklaren zijn, dat Vondel wel de vrede, maar niet de oorlog, die eraan voorafgegaan was, verheerlijkte. Wij zouden de eenvoudige vraag kunnen stellen, wat dan toch wel de bedoeling van zijn opdrachtgevers geweest is. Die opdrachtgevers, de Amsterdamse regenten zelf, hebben er trouwens geen been in gezien, de algemeen als belijdend katholiek bekende dichter het werk op te dragen. Bij hen kwam blijkbaar niet op, dat Vondel anders dacht over de nationale glorie dan zij. Voor zover dit toch het geval was, raakte het de religie niet als een vroeg vertegenwoordiger van wat vandaag Groot-Nederlandse gedachte heet, zal hij de Hollandse en zeker de Amsterdamse regenten wel vóór geweest zijn.
'Vernuftige commentators als Van Lennep en Jonckbloet hebben in Lucifer een politieke allegorie willen zien: de opstandige aartsengel zou dezelfde Willem van Oranje geweest zijn, die in een nazang van Pascha met Mozes wordt vergeleken - '0 wondeibaarlijk schikt zich Mozes met Orangien!' -. Zulke vondsten schijnen averechtse gevolgen van de ijver, waarmee tijdgenoten als Thijm en Nuyens hun eigen visie op de geschiedenis van de opstand als die van de zeventiende-eeuwse katholieken plachten voor te stellen. Natuurlijk moest Vondel over Willem van Oranje gelijk geoordeeld hebben als Alberdingk Thijm, al sprak ook heel een oeuvre dit tegen. Vondel, die Thijm noch Nuyens gelezen had, zag in de opstand tegen Spanje, niet anders dan Spieghel, Jan Vos en zoveel andere katholieke getuigen uit de tijd zelf, een rechtvaardige nationale zaak. Er is maar één vorst uit het Oranjehuis, die in contemporaine dichters onsterfelijke lofzangers heeft gevonden: Frederik Hendrik, die door Vondel en Hooft verheerlijkt is, door de eerste gevolgd op zijn militaire triomftochten. Maar naast deze grootse blijken van meeleven met wat toen de natie bezighield, staan zoveel latere, die bewijzen, dat alle voorspoed van zijn land en zijn volk, de bloei van de wereldhandel, waarvan het geliefde Amsterdam het grote middelpunt was, de koloniale expansie, de trotse bouwlust van Amsterdams regenten, Vondels geestdrift wekten. Niets kan dan ook zo ongegrond zijn als de voorstelling van een sedert zijn bekering van volk en staat vervreemde Vondel.
Dat daarnaast - en in zóver daarboven als het hemels vaderland in het oog van elke christen boven het aardse gaat -. Vondel de dichter van het katholicisme is, leert een onbevooroordeelde blik in zijn werken.

Wij behoeven niet eens te wijzen op de ontelbare gelegenheidsgedichten, die priester- en kloosterroepingen met fijn begrip en diep gevoel bezingen. Het is helaas zo gesteld, dat de gangbare leerboeken de Altaargeheimenissen meestal alleen in het voorbijgaan noemen als een leerdicht ter verheerlijking van het nieuw-verworven geloof; het feit bewijst wel, dat de schrijvers het werk ten hoogste fragmentarisch hebben gelezen.
Gebouwd op een fundament van grondige kennis der toenmalige theologische, apologetische en polemische litteratuur, in het bijzonder van Bellarminus' 'Disputationes', geeft het in drie delen een deels scherpbetogend, deels diep bewogen exposé van geschiedenis, zin en zegen der heilige Eucharistie, voor de vrome bekeerling, na jaren van huiverend weifelen aan de poort, het wezen van zijn katholiek geloven en leven geworden.
De in 1662 verschenen 'Bespiegelingen van God en godsdienst' strekten in hoofdzaak tot bestrijding van de wijsbegeerte van Spinoza; zij worden in kunstwaarde overtroffen door de Altaargeheimenissen en door het grote leerdicht 'De heerlijkheid der Kerke', dat Albert Verwey zelfs Vondels 'sterkste en welsprekendste dichtstuk' heeft genoemd, een uitspraak, die niet zonder eenzijdigheid is en bij alle goede bedoeling verscheiden andere werken te kort doet. Het werk, dat voor zijn zeer degelijke zakelijke inhoud voor een groot deel van de Annales van kardinaal Baronius afhankelijk is, valt te karakteriseren als een dichterlijke kerkgeschiedenis. Het verscheen in 1663 en beleefde verscheiden herdrukken.
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #9 on: 05 August, 2008,; 16:51 »

...vervolg van 2:

Toont de zakelijke opsomming van allerlei werken tenminste aan, dat Vondel zowel de nationale als de katholieke dichter was, dan blijven wij ons bewust, dat in dit bestek aan zijn betekenis voor land en volk geen recht gedaan kan worden. De treurspeldichter, de onsterfelijke lyricus, ook de scherpe satiricus vormen in hun eenheid het rijkst bezit der zeventiende-eeuwse litteratuur. Vondel is geen apart katholiek bezit; wie dit uit het voorafgaande exposé wilde lezen, zou de strekking ervan misverstaan. Het meent slechts aan te tonen, dat de Groot-Nederlander Vondel in sommige niet-onbelangrijke opzichten een te grote persoonlijkheid is om te kunnen doorgaan voor de ideële vertegenwoordiger van het Hollandse volk der zeventiende eeuw, maar als een rijk en sterk talent - als zodanig door geen ander Nederlander van vóór of ná zijn tijd geëvenaard - het edelst bezit is van de Nederlandse stam en dat de gave eenheid van zijn werk en zijn geloof hem daartoe te meer geschikt heeft gemaakt. Misschien is de twintigste eeuw eerst rijp voor de billijke waardering van een Amsterdams dichter, die zijn woonstad en de staat, waarvan hij een burger was, met heel zijn hart liefhad en toch te groot is voor een klein-Nederlandse, laat staan Hollandse maat. Is hij terecht door een Vlaming de geest genoemd, die de Nederlandse beschaving het volledigst samenvat, dan past het ook vooral in het raam van een werk, dat de geschiedenis van de Noordnederlandse katholieken in de zestiende en de zeventiende eeuw poogt samen te vatten, vast te stellen, hoezeer hij ook in dezen een vertegenwoordiger is van de religieuze gemeenschap, waartoe hij door zijn eigen vrije daad van 1639 definitief behoorde. Het Hollandse katholicisme van de zeventiende eeuw is door zoveel hechte banden aan dat in de Zuidelijke Nederlanden verbonden, heeft er zoveel verplichtingen aan, dat wij zelfs kunnen spreken van rechtstreekse afhankelijkheid op tal van gebieden: de priesteropleiding, de kerkelijke kunst en de devote en theologische litteratuur.
Onder de grote gaven, die het katholieke zuiden aan het katholieke noorden schonk, mag ook Joost van den Vondel gerekend worden. De dichter, die te groot bleek voor een klein-Nederlands kader, is daarom niet minder een zeer eigen Nederlands bezit, even Nederlands als de zeventiende-eeuwse katholieken pretendeerden te zijn en metterdaad waren.

Aan de algemene inzinking, die het Noordnederlandse cultuurleven aan het eind van de zeventiende eeuw vertoont, ontkwam de litteratuur zeker niet en het katholieke deel van de natie geeft zelfs sedert Vondels dood nauwelijks meer tekenen van litterair leven. Het wordt inmiddels onmiskenbaar, hoe cultuurverarmend de vreedzame onderdrukking van het katholicisme op zijn belijders werkt. Alle uitzichten op wetenschappelijke loopbanen en lucratieve ambten zijn gesloten; elke grootse ontplooiing van kerkelijke kunst wordt belet en voor de clandestiene uitoefening van de godsdienst moeten zij schatten opbrengen. Hun priesters volstaan in het algemeen met de strikt-noodzakelijke vorming; er zijn onder hen weinig voorbeelden van voortgezette studie. Daarbij woekert de afval in de bovenlaag voort, dat is juist in de kringen van hen, die door hun grotere welstand en daarmee samenhangende meer intellectuele en esthetische ontwikkeling, hetzij als produktieve, hetzij als beschermende krachten de kunst konden bevorderen. Zo is de meer en meer tot de nijvere middenstand teruggedrongen katholieke burgerij aan het eind van de zeventiende eeuw wel niet langer een verticale doorsnede van het Noordnederlandse volk. De bovenlaag is aanmerkelijk versmald. Toch is het raadzaam, nooit aan een volkomen isolement van de katholieken te denken. Een opvallend bewijs van het tegendeel levert o.a. het levensverhaal van de zeer beschaafde Rotterdamse boekverkoper François van Hoogstraten. Diens winkel op de Hoogstraat bij de Vlasmarkt was van omstreeks 1660 tot 1679 het intellectuele centrum van Rotterdam, waar letterkundigen van allerlei richting, uitgesproken vrijgeesten, remonstranten, menisten en calvinisten, zich onveranderd thuis bleven gevoelen, toen de eigenaar in of kort na 1662, de weg van Vondel en Reyer Anslo volgend, van doopsgezind katholiek was geworden. Hartelijke banden van vriendschap verbonden François van Hoogstraten met die andere bewoner van de Hoogstraat, de zwakke in zichzelf gekeerde, voor een calvinist te wekelijk-vrome Heiman Dullaert, wiens poëzie hij na diens dood zou uitgeven. Ook de Rotterdamse dichter Joachim Oudaen, een vroom en gematigd collegiant, die schuw voor Descartes en Spinoza uitweek, maar die 'verzen op de verdraagzaamheid met verzen tegen de papen' placht af te wisselen, was en bleef Van Hoogstratens trouwe vriend en bewonderaar. De geleerde boekverkoper verdiende die vriendschap door zijn ruime verdraagzaamheid en die bewondering door zijn geleerdheid, door zijn vertrouwdheid met de litteraire en theologische schrijvers van zijn tijd en van vroeger en ook door zijn gedichten. Deze rustige, vrome man was geen oorspronkelijke en geen grote geest, maar terecht prees men zijn 'rein gemoed' en de zuiverheid van de eenvoudige poëzie, die daarvan de uiting is. Hij had een kennelijk zwak voor de katholieke vroomheid en de vreedzame polemiek van de devote humanisten en hun geestverwanten. De bibliografie van zijn vertalingen, in eigen winkel uitgegeven, wijst ook in deze irenische, maar stellig-katholieke richting. Hij vertaalde en drukte b.v. Ludovicus Vives' 'Inleiding tot de ware wijsheid', ook diens gebedenboek 'Opwekkingen der ziele tot God', Thomas van Kempens Navolging, Thomas More's Utopia, kardinaal Bona's 'Leidsman of handleiding ten hemel' en 'Beginselen en leerstukken van het christelijk leven,' de Royaumonts 'Historiën des ouden en nieuwen testaments' en Neercassels 'Verhandeling van 't lezen der heilige schrifture'.
Is er dan reden François van Hoogstraten een soort van katholiek getuige in een kring van piëtisten te noemen, zijn eigen dichterlijk oeuvre blijft toch te beperkt van waarde en te zwak van klank om de katholieke stem van zijn tijd te heten. Zo wij daarom moeten aarzelen hem naast Dullaert en Luyken te zetten, staan wij voor het begin van de nacht. Als de zeventiende eeuw naar haar einde neigt en Vondel zwijgt, wie is dan in de katholieke gemeenschap te noemen als een stem, die klank heeft naast het teer geluid, dat het protestantse piëtisme vond in het gelovig gemoed van de etser Jan Luyken? Ons piëtisme - als de gevaarlijke term éénmaal argeloos gebezigd mag worden voor het geloofsleven van een generatie, die om de gave der tranen leerde bidden vond geen tolk meer, sinds de laatste dichters van de katholieke reformatie uitgezongen waren. Straks zal de achttiende eeuw in de beredeneerde weemoed van Huibert Poot en in de zwakke lyriek van Wellekens voorlopig de laatste uitingen registreren van een deels voor de poorten aarzelende, deels al te eng binnen die poorten gevangen vroomheid, maar reeds kondigt het vacuüm zich aan, dat, mirabile dictu, onder de prozaïsche Hollanders de katholieke intellectuelen wel schijnt te tonen als de nuchterste en meest kunstloze groep. Nog de negentiende eeuw zou slechts deels sentimentele, deels zwaar-retorische stemmen doen klinken uit de katholieke kring en dan nog zou zijn Broere geen Bilderdijk, zijn Schaepman geen Da Costa blijken. Een analyse van de factoren, die deze stille nacht van twee eeuwen zwijgens verklaren, ligt buiten het huidig bestek. Hier is het voorlopig genoeg geconstateerd te hebben, hoe belangrijk nog het aandeel van de Noordnederlandse katholieken in de korte, maar schone bloei van de zeventiende-eeuwse woordkunst was.
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #10 on: 05 August, 2008,; 16:52 »

3. Muziek

De verdienste van het katholicisme in de bevordering en de ontwikkeling van het muziekleven te ontkennen, zou een al te duidelijke ongerijmdheid zijn. Ook in een luthers land maakt de muziek nog redelijke kans om door de steun van de kerk tot bloei te komen: Luthers eigen muzikaliteit maakt dit verklaarbaar. Zo gezien, zouden wij wel tot de conclusie van Calvijns volstrekte muziekdoofheid moeten komen: een kerkelijke muziek is in calvinistische kring nauwelijks denkbaar. Niemand zal dan ook beweren, dat wat er aan muziekleven in de Verenigde Nederlanden van de zeventiende eeuw bloeide, gewekt werd door het calvinisme of daarvan de stempel droeg. Evenals voor de beeldhouwkunst betekent voor het muziekleven een calvinistische stempel de dood in de pot. Het gerekte galmen van jammerlijk vertaalde psalmen bleef - om met Voltaire te spreken - lang het enige plezier, dat Genève zich gunde, in de waan, dat God behagen schepte in inferieure muziek en platte rijmelarij. Wel verheerlijkte Voetius bij de opening van onze meest calvinistische hogeschool, die van Utrecht, in 1636 de muziek als een gave Gods, maar zulke platonische verklaringen wegen niet op tegen de oorlogsverklaring aan alle muzikale vormen, waarvan Busken Huet het calvinisme zonder veel overdrijving beschuldigde. Vaak aangehaald, maar dan ook bijzonder tekenend, is het feit, dat katholieke kerkzangers bij dezelfde feestelijkheid gerekwireerd moesten worden om het Te Deum te zingen; de calvinistische gemeenschap had dan toch zekere reden tot dankbaarheid, dat de uitroeiing van het katholicisme nog tot de vrome wensen behoorde.
Op de schone bloei van de kerkmuziek in de eerste helft van de zestiende eeuw volgde een tijd van diep verval. Ook in dit opzicht betekende de oplegging van het protestantisme de breuk in een nationale cultuur. De kerkelijke muziekbroederschappen werden opgedoekt en het orgel werd krachtens besluit van de synodale vergadering te Dordrecht in 1574 buiten gebruik gesteld. Bijna een eeuw heeft het in de hervormde eredienst geen taak mogen vervullen. Wel bleven de stedelijke regeringen aan de kerken als tevoren vaste organisten aanstellen, maar hun taak lag buiten het terrein van de eredienst. Dit verklaart het aanblijven van katholieke organisten. Op bepaalde dagen in de week gaven de organisten, buiten de eredienst om, enige orgelconcerten voor het publiek. De afwezigheid van begeleiding maakte echter in de hervormde godsdienstoefeningen het gezang van de gemeente tot een verschrikking voor elk enigszins muzikaal oor, zodat op den duur ook uit rechtzinnige kring stemmen opgingen tot herstel van de orgelmuziek ter begeleiding van de volkszang. Eerst na lange en hardnekkige strijd is het zover gekomen. Het was vooral de muzikale Constantijn Huygens, die daarvoor in geschrifte ijverde, niet zonder dat hij daarmee tegenstand ontketende uit de kring van de steilste broeders, waarin vooral de hoogleraar Voetius op de voorgrond trad.
In de schuilkerken en in de huiselijke muziekcolleges heeft de muzikaliteit van onze zeventiende-eeuwse vaderen het goed heenkomen gevonden. Dat tussen de milieus kwalijk een grens te trekken valt, leert ons de schets van de muzikale Thijm over 'Een Amsterdamsch Musijck-collegie in de XVUe eeuw'. De romantische fantasie van de kunstenaar heeft een kleurig stukje vaderlands cultuur- en kerkleven ontworpen tegen een historische achtergrond, waarin de anachronismen niet ontbreken, maar de door vele degelijke aantekeningen bewezen ernst van de kenner van de intieme geschiedenis der Amsterdamse katholieke families waarborgt de betrouwbaarheid van het cultuurbeeld. Bovendien gaat de schrijver zelf door farnilietradities ver genoeg in het verleden van ons schuilkerkentijdvak terug om als kenner van toestanden en personen alle recht van spreken te hebben. Niemand heeft de sfeer van dit merkwaardige, nu geheel vergane leven met al zijn bekoorlijkheid en al zijn muzikale en liturgische gedurfdheden meer naar het leven kunnen weergeven dan de breed-belezen en artistieke Thijm. Hier reikt de romantische verbeelding de geschiedschrijving, die zonder haar hulp althans op het terrein van de kerkmuziek nauwelijks in staat zou zijn zich een voorstelling van het leven der zeventiende-eeuwse vaderen te vormen, de hand.
Van groots muziekleven mag dan in de Republiek gedurende de zeventiende eeuw geen sprake zijn geweest, toch heeft de eerste helft ten minste een tweetal mannen van betekenis aan te wijzen, die ook buiten de grenzen naam verwierven en nog altijd onder de 'meesters van hun tijd' vermeld worden: Jan Pieterszoon Sweelinck en Cornelis Floriszoon Schuyt. De eerste is de zoon van Pieter, organist van de Oude Kerk te Amsterdam in de katholieke tijd. De zoon en opvolger Jan bekleedde het ambt in stadsdienst van kort na de alteratie tot zijn dood in 1621. Hij werd weer opgevolgd door zijn zoon Dirk. Merkwaardig is de verschillende positie, die zij tegenover de eredienst innamen: de grootvader bekleedde een functie in de katholieke eredienst; de zoon stond, ofschoon de kerk geprotestantiseerd was, los van de eredienst; de kleinzoon eindelijk was, sedert de calvinistische tegenzin jegens het orgelspel voor de nood van de omstandigheden had moeten wijken, weer kerkelijk functionaris, maar thans in protestants verband. Is misschien deze uiterlijke ontwikkeling van hun positie parallel gegaan met hun persoonlijke religieuze evolutie? De oude Pieter was natuurlijk katholiek;
van de zoon staat het geloof niet vast, maar het is tenminste aannemelijk, dat hij nooit tot het protestantisme is overgegaan, de kleinzoon moet wel protestants geworden zijn. Ook van de Leidse organist en klokkenist Cornelis Schuyt, die ongetwijfeld van huis uit katholiek was, hebben wij geen zekerheid omtrent zijn latere belijdenis. Dat voor katholieke musici in de eerste eeuw na de protestantisering ook in het katholieke kerkverband in het algemeen geen emplooi te vinden was, moet op sommige organisten uit de overgangstijd wel een ongunstige sociaal-economische terugslag hebben uitgeoefend, die hen licht om den brode het oude geloof deed prijsgeven. Zo zien wij dan ook, als straks een katholiek kerkelijk muziekleven gaat groeien, geen mannen van naam uit de oude kring voortkomen om de ontwikkeling te leiden. Stellig heeft dit het peil van de muziekbeoefening in de schuilkerken kwaad gedaan. Deze was van de aanvang af vermoedelijk meest afhankelijk van de grotere of geringere muzikaliteit van de priesters. Van Joannes Stalpart van der Wiele te Delft vernemen wij, dat hij 'een goed musicijn' was en zelf het onderricht in de kerkzang gaf. Nemen wij dit van de klankgevoelige dichter graag aan, niet minder hoge verwachtingen mogen wij hebben van de leiding, die is uitgegaan van een pastoor als de Haarlemse kanunnik Jan Albert Ban of van een andere Haarlemse missionaris met muzikale gaven: Augustijn Alsten Bloemaert. Maar zulke talenten waren uitzonderingen: de meeste priesters zullen ver beneden dit peil gebleven zijn en de kerkmuziek, die in hun schuil- of schuurkerken ten gehore gebracht werd, zal niet van onverdachte kunstwaarde geweest zijn.
Ban was de grote muziektheoreticus van zijn tijd; hij stond met de beste musicologen en musici in en buiten de Nederlanden in geregeld contact, was een gezien gast in de Muiderkring van Hooft - een typisch voorbeeld van de zeventiende-eeuwse muziekcolleges, veel meer dan van een letterkundige kring - en ging vriendschappelijk om met Descartes en Huygens, beide ook muziekbeoefenaars van talent. Waarschijnlijk is Bans verhandeling 'Dissertatio epistolica de musicae natura' enigermate door Descartes beïnvloed, maar ze wordt door bevoegden als een zeer origineel werk geprezen, dat zijn auteur als een wegwijzer naar nieuwe banen kenmerkt. Verder was Ban de geestelijke vader van het zogenaamde 'volmaakte klauwier' met achttien toetsen per octaaf. Het werd vervaardigd met de bedoeling in alle toonsoorten zuiver te kunnen spelen en het probleem van de zuivere kwinten op te lossen. Voor de kerkmuziek zijn echter Bans verdiensten blijkbaar vrij gering, al is zeker zijn persoonlijke stimulans werkzaam geweest in het Haarlemse kapittel, dat - zoals in een vorig hoofdstuk uiteengezet is omstreeks 1630 zulk een veelzijdige belangstelling voor het liturgisch leven en de kerkelijke kunst toonde. Behalve Ban waren ook Bloemaert, Bugge en de Alkmaarse missionaris Costerus deskundige ijveraars voor het herstel van de gregoriaanse zang. Het kapittel streefde sedert 1622 ernstig naar het samenstellen van een eigen Haarlems graduale en antifonarium en droeg aan Ban en Costerus de bewerking daarvan op. Het schijnt echter, dat juist Ban, de aangewezen leider, in deze zaak niet veel ijver betracht heeft.
Het is wel zeker, dat de pogingen van het kapittel om orde en eenheid in de kerkmuzikale praktijk te brengen niet veel resultaat gehad hebben. De decentralisatie in de zielzorg is daarvan naast de gebrekkige inrichting van het clandestiene parochiële leven wel de grote oorzaak.
Het gezag van het kapittel was vooral in het oog van de reguliere priesters vrij twijfelachtig en in ieder geval ging elke missionaris, daarbij geleid door eigen min of meer deskundig inzicht of - wat nog vaker gebeurd moet zijn - door de voorkeuren van bepaalde muzikale krachten in de kring van zijn getrouwen, eigen wegen. Zo werd vooral in de grotere staties van de steden de beoefening van de kerkmuziek het terrein van liefhebbers, die dikwijls geheel vreemd stonden tegenover de kerkmuzikale beginselen.
Groot aandeel hebben in de eigenlijke kerkzang overal de klopjes gehad, die trouwens in heel het intern en extern kerkelijk leven op de voorgrond traden, zelfs in het liturgische. Daar werd hun aandeel zelfs zo groot, dat Romeinse autoriteiten er zich reeds in het begin van de zeventiende eeuw bezorgd over maakten. Klopjes, die de Mis dienden, waren bij ons sedert de eerste dagen van de schuilkerken tot in de negentiende eeuw toe alledaagse verschijnselen, wat bij het ontbreken van kosters en min of meer geschoolde misdienaars bijna onvermijdelijk geworden was. Dat in menige statie de klopjes ook het vaste zangkoor gevormd hebben, is wel zeker. Alleen in de grootste stadskerken traden bij plechtige gelegenheden executanten van allerlei pluimage op, leden van huiselijke muziekcolleges, die soms in de pastorieën hun oefeningen hielden. Dit weten wij bij voorbeeld van de bekende statie der Amsterdamse minderbroeders, sinds het eind van de zeventiende eeuw naar de pakhuizen, waarin ze haar bedehuis toen vestigde, die van Mozes en Aaron genoemd. Het is over het muziekcollege van deze statie, dat Thijm zijn belangwekkend stukje schreef. De klopjes moeten het echter overal geweest zijn, die de gewone hoogmissen, de uitvaarten, de loven en alle andere gewone kerkelijke plechtigheden met hun gezang beheersten. Op hen alleen kon gestadig gerekend worden. Zolang de vorming van deze vrome maagden in bekwame handen was, school daarin zeker meer goeds dan kwaads, al blijft het waar, dat de alleenheerschappij van de vrouwenstem het kerkelijk gezang op den duur in de achting van de mannelijke muziekgevoeligen moet hebben doen dalen.
Van de toewijding der klopjes valt overigens veel goeds te zeggen, vooral in de zeventiende eeuw, toen straffer leiding meer kon beletten dan de later ook in hun communiteiten duidelijk aan den dag tredende decentralisatie, die elke pastoor tot paus van de statie en zijn speciale klopjes tot de vaak zeer eigenwijze toon aangeefsters in het kerkelijke leven maakte. Ook lezen wij in de geschriften van het Delftse klopje W. D. Reeck (het zogenaamde 'Levensverhaal van Stalpart van der Wiele' en van Trijn Oly) treffende bijzonderheden omtrent het onderricht, dat de maagden van de begaafdste uit het eigen midden ontvingen. Verscheiden namen van muzikale klopjes zijn ons uit deze bronnen bekend. Aafjen Jans Konings en Katrijn Wouters plachten reeds vroeg de zangrepetities van de Haarlemse maagden te leiden. Later traden de gezusters Lijsbet en Josina WilIems op de voorgrond naast de organiste Annetje van Eminga en de violisten Geertruid en Aachten van Veen. De laatste drie behoorden tot die door hun afkomst en hun opvoeding bevoorrechte vrome dochters, zoals er onder de Maagden van den Hoek omstreeks het begin van de zeventiende eeuw zeer veel voorkwamen.
Anne van Eminga was een van vier zusters, die reeds jong tot de gemeenschap waren toegetreden en tot hun dood toe in dit leven volhardden. Eelk, Anne, Doet en Trijn van Eminga behoorden tot een van de oudste Friese adellijke geslachten; hun vader was Siets Minnes van Eminga, hun moeder Trijn Roorda. Omtrent de enigszins bewogen geschiedenis van hun komst naar Haarlem vertelt Trijn Oly aardige bijzonderheden. Ofschoon zij volgens deze getuige bij voorkeur gereedstonden voor de nederigste en onsmakelijkste werkzaamheden, is het wel zeker, dat de communiteit van de meerdere ontwikkeling en beschaving, vooral van de muzikaliteit dezer jonkvrouwen, gebruik heeft weten te maken. Geertruid en Aachten van Veen stamden uit een patricisch Leids geslacht van veelzijdige beschaving. Het bracht verscheiden rechtsgeleerden van naam voort, maar ook schilders, tekenaars en beoefenaars van de muziek. Geertruid en Aachten waren nichten, kleindochters van Cornelis van Veen, burgemeester van Leiden, bij de overgang naar de prins uitgeweken naar de Zuidelijke Nederlanden.
Van zijn zoons werd Otto als schilder beroemd; wij ontmoetten hem reeds als de leermeester van Rubens en een van de grondleggers van de Antwerpse schilderschool der katholieke reformatie. Een andere zoon van Cornelis was de latere advocaat-fiscaal Simon, die er blijkbaar mee akkoord ging, dat zijn vrouw hun zeventiental kinderen in het katholicisme opvoedde, en die op zijn sterfbed in 1610 zelf tot de kerk terugkeerde. Het klopje Geertruid was zijn dochter. Een derde zoon van Cornelis was de latere Leidse pensionaris Pieter, die tevens een verdienstelijk schilder was. Ook hij leefde buiten de katholieke geloofspraktijk, waaraan zijn gezin trouw bleef, maar werd op zijn sterfbed in 1629 door Stalpart van der Wiele bediend. Behalve het klopje Aachten was ook de uit Vondels poëzie bekend gebleven Apollonia van Veen een dochter van hem: deze Apollonia genoot naam als schilderes en zangeres.
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
puellapaschalis
Co-dictatrix
Administrator
*****
Offline Offline

Posts: 3 598



WWW
« Reply #11 on: 05 August, 2008,; 16:53 »

Leesvoer!!!! Grin
Logged

Yes, that's Gibbs in my avvy. Phwoar! Wink
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #12 on: 05 August, 2008,; 16:55 »

4. Theologische Tweesprong

Het wetenschappelijk leven in de Republiek gaat voor het grootste en belangrijkste deel buiten het calvinisme om. De universiteit van Leiden, opgericht in 1574, dat is in de tijd, toen van de stichting van een zelfstandige Noordnederlandse staat nog nauwelijks gerept kon worden, mag in het oog van de rechtzinnigste calvinisten als eerste doel gehad hebben de wordende kerk van beginselvaste leraars te voorzien, haar geestelijke vader Willem van Oranje had ruimere ideeën en verderstrekkende plannen: niet alleen de theologie zou hij onderwijzen, maar 'allerlei goede, eerlijke ende vrije kunsten en wetenschappen'. Wijze rekkelijkheid van de kant der Staten verbood van de theologische professoren de eed op de Dordtse formulieren te vergen en ten opzichte van de overige werd zelfs geen beleving van het protestantisme verlangd. Alleen daardoor was het dan ook mogelijk met een toonbaar corps van hoogleraren van wal te steken. De beroemde Iustus Lipsius doceerde dertien jaren te Leiden, zonder dat hij ooit aan het Avondmaal deelnam; hij gaf zelfs herhaaldelijk te kennen, zich op het stuk van de religie nergens aan te binden; pogingen tot gewetensdwang deden hem voor Leiden verloren gaan. In Leuven keerde hij - nadat Leiden hem duidelijk gemaakt had, dat hij in het calvinisme nooit bevrediging zou vinden - tot de katholieke geloofspraktijk terug. Een waarschijnlijk even sprekend geval is dat van de veelzijdige wis- en werktuigkundige Simon Stevin, de grondlegger van de mechanica en menig ander onderdeel der natuurwetenschappen. Deze studeerde en doceerde te Leiden, werd zelfs de organisator van de ingenieursschool, die op Maurits' initiatief aan de universiteit verbonden werd, en organiseerde in Maurits' leger de dienst van de genie. Toch is er alle grond voor de onderstelling, dat hij tot zijn dood toe katholiek bleef.
Op den duur werd ook Leiden voor katholieke geleerden ontoegankelijk.
Het protestantse exclusivisme belette de aanstelling van katholieke docenten en versmalde daarmee de wetenschappelijke basis, waarop de universiteit steunde. De jongere universiteiten waren vrijwel van hun oprichting af antikatholiek. Franeker, Groningen, Harderwijk en Utrecht waren enger opgezet en in oorsprong, meer dan Leiden, vooral bestemd om kweekscholen van rechtzinnige predikanten te worden. Evenals de Leidse, die aan de Egmondse goederen haar stichting dankt, merendeels uit de geseculariseerde kloosterfondsen onderhouden en van een eerste bibliotheek uit de kloosterboekerijen voorzien, deels ook gehuisvest in kapellen en kloosters van de oude religie, hadden al deze nieuwe hogescholen tot taak het intellect zo volstrekt mogelijk op te voeden in een aan het verdrukte katholicisme rechtstreeks vijandige ideologie.
Bolwerken van calvinistische rechtzinnigheid, zouden zij de komende generaties in de tucht van de nieuwe leer opleiden. De theologie zou de hoeksteen van al hun onderwijs zijn.
Leiden heeft aan de theologie nooit geheel de plaats ingeruimd, haar door de opbouwers der Dordtse kerk toegedacht. De Staten van Holland waren - evenmin als de vorst, die de vader van het nieuwe instituut was - van harte gezind om het gevaarlijk beginsel van een theologendictatuur over de academie tot het hunne te maken. Veeleer hebben zij zich van de aanvang schrap gezet tegen alle aanmatiging van de kant der kerk; baas in eigen huis, weigerden zij stelselmatig alle inmenging in aangelegenheden, die niet rechtstreeks het godgeleerd onderwijs betroffen. Met de bezetting van de theologische stoelen is het tientallen jaren een lijdensgeschiedenis geweest en in samenhang daarmee was het aantal theologische studenten er lange tijd maar gering. Eerst tegen het eind van de zestiende eeuw, als de stichting van beurzen en collegiën tot huisvesting en onderhoud van aanstaande predikanten betere stoffelijke vooruitzichten heeft geschapen, krijgt de faculteit betekenis.
Vooral de rechtsgeleerde, spoedig ook de letterkundige faculteit namen te Leiden een voornamer plaats in. Wel heeft de Leidse universiteit in het brandpunt gestaan van de grote crisis in de Nederlandse hervormde Kerk, toen tussen haar hoogleraren Arminius en Gomarus de beginseIstrijd ontbrandde, die spoedig het hele land in beroering zou brengen en door de pyrrus-overwinning van de streng-calvinistische richting op de Dordtse synode van 1618-1619 slechts in schijn een eind zou vinden, maar de leiding van de calvinistische theologie werd spoedig overgenomen door de in 1636 gestichte Utrechtse academie.
Deze werd door de representatieve Gijsbert Voetius het brandpunt van het Nederlandse calvinisme. Leerling van Gomarus, droeg Voetius diens denkbeelden onverschrokken en met onverwoestbare, zeer agressieve energie verder. polemist tegen katholieken en remonstranten, strijder tegen elke inmenging van overheidswege in de zaken van de kerk, door zijn karakter en zijn grote gaven de centrale figuur te Utrecht, die niet alleen de theologische faculteit in engere zin beheerste, maar de gehele academie, werd hij dank zij een lang leven en een tot op hoge ouderdom behouden vitaliteit de grote vertegenwoordiger van de calvinistische theologie en de calvinistische levensbeschouwing in de Noordelijke Nederlanden. Toch is het objectief vast te stellen, dat zijn positie als zodanig voor hem zelf en al zijn vurige medestanders in de strijd voor de volstrekte geestelijke suprematie van het calvinisme in de Republiek een desillusie moet geworden zijn. Zijn rusteloos pogen om heel het leven in school, kerk, maatschappij en gezin door de calvinistische theologie te doen beheersen en leiden, is niet alleen mislukt te noemen: bij zijn dood in 1676 waren de krachten der ontbinding in het lichaam van de hervormde gemeenschap niet meer te bezweren. Naarmate de eeuw voortschrijdt, is het calvinisme hier ondanks Voetius' beginselvaste en onvermoeibare strijdlust steeds meer tot de defensieve houding gedwongen, niet slechts tegenover de grote polemisten van de katholieke reformatie in Europa, maar ook in de eigen naaste kring, waar het stuit op allerlei openlijke en lijdelijke tegenwerking. Noch de civiele overheid noch de wijsgeren noch zelfs de theologen bleken op den duur eensgezind bereid het rechtzinnig systeem van Dordt als richtsnoer van hun doen en laten te aanvaarden of te behouden. Het katholicisme was uit de academische kring gebannen en kon bestreden worden als een verre vijand; het kreeg geen kans zijn stempel te zetten op enige branche van de wetenschap, zeker niet op de theologie of de wijsbegeerte, maar het is nooit gelukt, de macht van de zeer sterke fractie der libertijnen in het protestantse midden te fnuiken. Integendeel zijn het deze protestantse humanisten geweest, die - ondanks allerlei in grote figuren zo tragisch verwezenlijkte nederlagen - meer en meer de toon aangaven in het cultuurleven van de Republiek. De calvinistische rechtzinnigheid, herhaaldelijk in de kring van de eigen godgeleerden tot object van controversen geworden, mocht in het algemeen vaste voet behouden op de katheders, het wetenschappelijk leven gaat meer en meer langs deze officiële zetels om.

Te Leiden gevormd, om daarna levenslang buiten de officiële Nederlandse universitaire wereld te worden gehouden, werd Hugo de Groot, ofschoon als genie boven alle wetenschappelijke Nederlanders van zijn eeuw verheven, typisch voor de meesten, die in het gebonden leven aan de Nederlandse universiteiten geen vrije adem en geen ruimte voor hun wiekslag vonden. Niets weerlegt zo afdoende alle onderstellingen van een calvinistische hegemonie in de zeventiende eeuw als het feit, dat deze grootste Nederlandse cultuurdrager ten slotte niets van de calvinist meer overhield. Wat hem faalde om katholiek te zijn in de volstrekte zin van lidmaatschap der ene heilige katholieke en apostolische kerk van Rome, is niet met enkele losse woorden te zeggen. Zij zelfs, die de weg door zijn bewogen leven en door zijn vele geschriften en brieven hebben gevonden, staan voor de onoplosbare vraag, of Grotius, indien niet een plotselinge dood hem uit het leven had weggenomen, de grote stap, waartoe zijn ontwikkeling zo logisch en onverbiddelijk scheen te leiden, ooit gezet zou hebben. Dit schijnt wel aannemelijk: deze geduldigverstandelijke geest stond anders tegenover het probleem van een te belijden geloof en een te aanvaarden levenspraktijk dan de diepgodsdienstige Vondel. Geleid door vroege jeugdimpressies en door een natuur, die hem als het hijgend hert deed smachten naar de voelbare nabijheid Gods, naar de heilige Eucharistie als dagelijks voedsel, had Vondel de kracht om alle tegenweer van welke overwegingen ook te overwinnen.

Grotius is er niet minder om, dat hem de brandende vroomheid van de dichter schijnt ontbroken te hebben. Als zo ontelbaar vele anderen, die - door hun aard nauw aan hem verwant - in volkomen evenwicht en vaste zekerheid tot de eenheid der kerk behoren, haar leer belijden en haar geboden onderhouden, zonder tot de hoogte van Vondels vroomheid te kunnen reiken, zou hij ook in het katholicisme vastheid en vrede gevonden hebben, maar hij had er dan in geboren moeten zijn: de stap zelf kost een man van zijn type blijkbaar al te veel. Mij komt ook de onderstelling van een Noors auteur, dat Grotius is blijven vrezen door zijn persoonlijke overgang naar het katholicisme de oecumenische beweging, die hij onder de protestanten gewekt had, te schaden en daardoor van de stap teruggehouden is, volstrekt niet ongerijmd voor: in de lange weifeling van een negentiende-eeuws bekeerling als Newman valt hetzelfde verschijnsel te zien. Juist in een geest van zo sterk verstandelijke stempel als die van Grotius is het niet ondenkbaar, dat hij 'aan zijn verlangen naar godsdienstvrede' de 'persoonlijke godsdienstige belangen' heeft 'opgeofferd'. Zulk een houding is, van katholiek standpunt gezien, een ongelukkige dwaling en zij is ondenkbaar voor katholiserenden van Vondels gehalte, maar Grotius kwam langs gedeeltelijk andere wegen tot het katholicisme en nam een voor de man van wetenschap kenmerkend academisch standpunt in: het subjectieve blijft bij hem op de achtergrond; hij heeft de maatschappij, de mensheid op het oog, die bij zijn overgang niet gebaat, eer geschaad zou zijn.
Evenmin als van Arminius kan van Grotius ondersteld worden, dat zijn bezwaar tegen leerstukken als de predestinatie zou zijn voortgekomen uit oppervlakkige afkeer van al wat te hoog of te diep ging, zoals dat ongeveer door Hubertus Duifhuis getuigd is. Hij is in dezen veeleer de zuivere Erasmiaan van voor de kerkscheuring met de optimistische kijk op de menselijke natuur en de brede opvatting van het vraagstuk der genade. Daarbij kenmerkt hem diezelfde eerbied van Erasmus voor de gestalte van de oudchristelijke kerk. Dit is het dan ook, dat sommige Hollandse remonstranten van zijn tijd naar Rome terugdreef en hen het ideaal van de hereniging der christenen 'zeer stellig in belangrijke mate als een toenadering tot de katholieke kerk' deed opvatten. Dit streven naar hereniging wordt bij Grotius gezegd te berusten op het 'fundament van zijn Arminiaanse jeugd'. De term 'Arminiaans' dient dan echter ongeveer in dezelfde zin verstaan te worden, waarin ten tijde van Karel I de publieke opinie in Engeland hem gebruikte. De Engelse 'Arminians', de pioniers van de anglicaanse High Church, zijn, duidelijker dan de Hollandse remonstranten, de rechte kinderen gebleven van een in het protestantisme gevlucht, maar nooit met Calvijn in evenwicht geraakt bijbels humanisme. Aan deze 'Arminians', die zich naar buiten kenmerkten door een aristocratisch vasthouden aan hiërarchische vormen, waarden en begrippen, waarmee een plebejisch-gekleurd puritanisme - aIs bij ons de 'consistorianen' - radicaal gebroken had, gevoelde De Groot zich nauw verwant, ook in zijn eerbied voor de traditioneel-katholieke opvatting van de heilige sacramenten en in zijn liefde voor de oudchristelijke ceremoniën, eveneens zo verachtelijk verworpen door het bovendrijvend calvinisme.
Hugo de Groot is dan ook niet zonder reserve te aanvaarden als de vertegenwoordiger van wat zijn geestverwanten in het remonstrantisme van omstreeks 1620 in Holland bezielde. De meeste anderen hadden van de reeds meer dan veertig jaren de toon aangevende geest van Dordt meer in zich opgenomen dan hij en weinigen bezaten de wijde blik, waarmee hij de religieuze problemen in oecumenische zin kon beschouwen.
Toch valt uit de bekeringen tot het katholicisme uit dezelfde kring van hen, die in het vercalviniseerde Hollandse protestantisme teleurgesteld waren, tenminste af te leiden, dat hij niet alleen stond in zijn weemoed om de verscheurdheid van het christendom en om de ontwikkeling van het Nederlandse protestantisme tot een gemeenschap, die van zoveel oudchristelijk erfgoed aan leer en vormen roekeloos afstand deed. Deze gedachtengang van De Groot is het consequent vervolg van Erasmus' christelijk humanisme. Er was een geest van geniale diepte voor nodig om uit het bijbelse humanisme, de naar het protestantisme afgetakte stroming van Erasmus' denksfeer, de weg naar het uitgangspunt terug te vinden. Grotius vond voor zijn idealen betrekkelijk weinig aanhangers bij de protestanten, zelfs onder hen, die beseften, dat hun vaderen scheep gegaan waren naar een ander protestantisme dan dat, wat nu de boventoon en de alleenheerschappij had verworven. Mag het dan onjuist zijn te spreken van de katholieke Hugo de Groot, hem protestants te noemen zou erger dwaling zijn. Hij mist precies, wat alle protestanten bij ontelbare verschillen blijft verenigen: het protest tegen Rome. 'Grotius' testament' noemde Vondel zijn vertaling van de hoofdpunten uit Grotius' 'jongste antwoord aan D. Rivet', de zogenaamde 'Discussio', het laatste geschrift van de geleerde, door deze ter persbezorging toevertrouwd aan de Amsterdamse begijnenvader Leonard Marius, die hem in de voorafgaande jaren meermalen had voorgelicht met zijn rijke kennis van kerkvaders en katholieke theologen. Niets is er van de protestant over in dit betoog van de godgeleerde, dat voornamelijk deze twee hoofdstellingen omschrijft:
1. God liet wel toe, dat te Rome en elders de zeden bedorven werden, maar door Gods bestiering werd nooit de leer bedorven.
2. De protestanten kunnen onderling nooit tot eenheid geraken, als zij zich niet tegelijk verenigen met hen, die de stoel van Rome aanhangen.
Wie met het katholicisme als factor in het Nederlandse geestelijke leven meenden afgerekend te hebben, zagen reeds in de eigen tijd met verbijstering, hoe alle theologische controverse ten slotte weer stond voor het onverwoeste bolwerk van rechtzinnigheid: de kerk van Rome. Dat de kosmopoliet Grotius stervende zijn landgenoten dit feit voor ogen stelt, is niet het geringste blijk van zijn nationale betekenis.
Losgeraakt van het vaderlands milieu en van de malcontente groep, die hem vereerd had als een van haar martelaars, blijft Hugo de Groot toch voor het nageslacht een van de Hollandse remonstranten. Zijn weg is ook die van anderen uit deze kring geweest. Sommigen - kleineren dan hij - zijn hem op de weg vooruitgevlogen; anderen zijn blijven staan, waar hij geduldig verder ging. Tot de massale wending naar Rome, die sommige katholieken van de uitbanning der remonstranten verwachtten, is het evenmin gekomen, als het in de negentiende eeuw in de Oxfordse kring van Newman kwam tot de lang-verwachte massabekering.
Ten slotte was het protestants, dat is anti-katholiek, beginsel ook voor verreweg de meeste remonstranten de kern van hun geloofsovertuiging, in die mate zelfs, dat Grotius' bestrijding van de opvatting, als zou de paus de antikrist zijn, hem vervreemdde van zijn meeste geestverwanten. Gerard Vossius, vriend van Grotius en van Vondel, in zijn verkeer met katholieke geleerden de objectiviteit zelf, had de verschijning van deze studie willen tegenhouden, niet wijl hem de aangevochten stelling op zich zelf zo dierbaar geweest zal zijn, maar wijl hij - beter dan Hugo de Groot - inzag, dat zij een mystieke, doch zeer hechte band tussen alle protestanten vormde, wier gemeenschap bij de dagelijks groeiende geschillen wel een band scheen nodig te hebben. Evenmin bleken uitgesproken remonstranten als Wtenbogaert en Episcopius gesticht over Grotius' betoog: allen achtten toenadering tot Rome compromittant. Het is dan ook een feit, dat bij de meeste pogingen om de remonstranten nader met de katholieken in contact te doen treden, de liefde al te zeer van één kant kwam: zozeer zat zelfs deze in het eigen midden verketterden het negatieve antipapisme in het bloed. Mensen, die de predestinatie, zoals Calvijn die opvatte, een gruwel vonden en liever vervolging en armoede leden dan hun geloof in de algemene strekking van Christus' verlossingswerk prijs te geven, namen toch niet aan, dat men in het katholieke geloof zalig kon worden.
Geen verdachtmaking kon dan ook onder protestanten wreder treffen dan de betichting van paapse sympathieën. De contraremonstranten maakten dus gretig van deze samengeweten gevoeligheid gebruik om de remonstranten voor 'verkapte pausgezinden' uit te maken. Een stroom van pamfletten tegen de remonstranten levert het bewijs. Dat dezen gevoelig waren op dit tere punt van de protestantse eer, wordt bevestigd door een stroom van tegenpamfletten. Zeer typisch voor de algemene strekking is de 'Gulden legende van den nieuwen Sint Jan', gericht tegen Van OIdenbarneveIt, van wie het heet, dat hij 'alle verdoolde schapen' weer wilde terugbrengen in de 'roomse schaapskooi';
de remonstranten heten er ronduit 'bastaardpapisten'. De waarheid is, dat de meeste remonstranten zich angstvallig onthielden van alle toenadering tot de katholieken. Dezen van hun kant hadden voor de verdeeldheid onder de protestanten van de aanvang af grote belangstelling gehad. Rovenius geeft in zijn verslagen naar Rome herhaaldelijk blijk van zijn aandacht voor wat in het protestantisme omgaat en ook aan zijn terminologie is te zien, dat zijn betrekkelijke sympathie aan de kant van de remonstranten was. Het is geen wonder: het verzet tegen het decretum horribile is in wezen een katholieke reactie. Ook de Brusselse pauselijke gezanten leefden met de interne ontwikkeling van het Nederlandse protestantisme mee. Van de politieke gevolgen hadden zij, voorgelicht door nogal opgewonden rapporten van missionarissen in de Hollandse Zending, vooral van enige prefecten van de regulieren, overdreven verwachtingen. Zij rapporteerden zelfs naar Rome, dat het uiteenvallen van de Republiek aanstaande was. Ook stelden zij zich voor het katholicisme te veel van de scheuring voor: zij begroetten het verzet van de remonstranten al te gretig als een symptoom van terugkeer naar het katholicisme. In de vel handelingen van de synode van Dordrecht stelden de katholieke autoriteiten levendig belang. Deze synode moet wel voor heel West-Europa een soort van cause célèbre geweest zijn, een sensationeel geding, waarnaar reikhalzend werd uitgezien. Zij stelde trouwens niet teleur door de vooropgezette partijdigheid, waarmee zij was samengesteld, en door de pathetisch-geënsceneerde behandeling, die zij de Arminianen aandeed. De eis van onvoorwaardelijke onderwerping en haar stellige afwijzing bij monde van Episcopius, gevolgd door de verdrijving van de verworpenen - 'Dimittimini, exite, exite!' -, gaven aan het verlangen naar pikante sensatie ruimschoots bevrediging. Daarin hebben dan ook zeker de twee dominicanen gedeeld, die door de missieprefect Michael Ophovius - vermoedelijk op verzoek van de Brusselse nuntius Morra - naar Dordrecht afgevaardigd waren om gegevens uit de eerste hand over de synode te verzamelen en erin slaagden incognito alle zittingen bij te wonen.
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #13 on: 05 August, 2008,; 16:57 »

...vervolg van 4:

Zowel de verwachting, dat een grote burgeroorlog de Verenigde Nederlanden zou uiteenscheuren, als de reeds in 1616 door de nuntius Gesualdi uitgesproken hoop, dat vele remonstranten tot de katholieke kerk zouden terugkeren, bleek ijdel. Maar uit deze mentaliteit, die ook door Spinola gedeeld werd en hem leidde tot vrij belangrijke concessies aangaande het verblijf van uitwijkende remonstranten in de Zuidelijke Nederlanden, zijn inderdaad enige connecties tussen vooraanstaande Arminianen en katholieken voortgevloeid, kennelijk van katholieke zijde uitgelokt. Zo kwam de bekende Wtenbogaert te Antwerpen niet alleen met verscheiden civiele autoriteiten op goede voet, maar hij had relaties met enige jezuïeten aldaar en is zelfs met de vicaris-generaal van bisschop Malderus in. aanraking gekomen. Een pamflet onder de titel 'Droom van Johannes Wtenbogaert ende den bisschop van Antwerpen' geeft hoog van dit alles op. Het is echter wel zeker, dat zelfs Wtenbogaert zich uit protestants zelfbehoud de toenadering der katholieken liefst zover mogelijk van het lijf hield. Ook het voorkomend onthaal, dat elf uitgeweken remonstrantse predikanten, o.a. Simon Episcopius en Carolus Niëllius, te Waalwijk vonden, waar zij de bescherming van bisschop Nicolaas Zoes genoten, leidde tot geen toenadering van hun kant.
Wel is omstreeks 1620-1625 een vrij groot aantal remonstrantse leken tot het katholicisme teruggekeerd - de opgaven lopen ver uiteen: sommigen spreken van meer dan zeshonderd in een enkel jaar; anderen schijnen enige honderden gedurende de hele periode te bedoelen -, maar juist omdat het meestal leken betreft, is voorzichtigheid met de term remonstrant geboden. Het gaat in sommige controleerbare gevallen om 'patricische' families, die lang geweifeld hadden tussen het oude en het nieuwe geloof en zelfs in 1618-1619 nog niet hadden kunnen besluiten tot het lidmaatschap van de hervormde kerk. Het verzetten van de wet in 1619 werd de invoering van de zogenaamde 'Test-Act'-praktijk, die verscheiden regenten eindelijk dwong tot toetreding, wilden zij hun ambt niet verliezen. Hetzelfde geldt van verscheiden hoge ambtenaren van stad, gewest of generaliteit, vooral de justitiële. Natuurlijk kozen de meesten eieren voor hun geld. Vijftig jaren protestantiseringspolitiek hadden hen tenminste al te ver van het katholicisme verwijderd; zij, die nog niet bepaald bejaard waren, hadden eigenlijk nooit gepraktizeerd. Er waren er echter onder, die katholieke vrouwen en kinderen hadden en door deze vrij dicht bij het katholieke leven waren gebleven. In deze kringen vooral schijnen de bekeringen gezocht te moeten worden, waarvan de 'Litterae annuae' van de jezuïeten in de volgende decaden herhaaldelijk melding maken. Ten opzichte van de getallen is zekere scepsis aan te bevelen. Het staat niet altijd vast, wat de schrijvers onder bekeringen verstonden: soms schijnt niet bepaald een overkomst uit het protestantisme bedoeld te zijn.
Dat het vooral jezuïeten waren, die gewezen remonstranten uit de kring van de gezeten en intellectuele burgerij tot Rome terugvoerden, is overigens verklaarbaar: zij hadden met het regentenpatriciaat altijd nauwer betrekkingen onderhouden dan de meeste seculieren en leden van andere orden. Verscheiden jezuïeten, die in de missie werkten, telden verwanten onder de regentenfamilies. Ook oefenden de jezuïeten krachtens hun ordesgeest een sterke aantrekking uit op protestanten, die de vrije wil staande hielden tegen de strenge calvinisten. Daarnaast staat echter, dat de missionarissen van de Sociëteit althans de indruk wekken, of zij geneigd waren bekeringen tot het katholicisme al te spoedig als hun werk te beschouwen. Zo wordt ook Vondels bekering in hun 'Litterae annuae' als de vrucht van hun ijver voorgesteld; de jongste navorsingen hebben echter wel voldoende bewezen, dat hun aandeel daarin ten hoogste secundair was. Van menige bekering kan trouwens de voornaamste bewerkar nooit genoemd worden, doordat een proces van lange jaren aan de overgang voorafging en de opneming in de kudde dan louter de bekroning was. Wie hedendaagse bekeringen, vooral van intellectuelen, gadeslaat, kan licht vaststellen, hoe moeilijk, ja hoe ongerijmd het soms is, er de bewerker van aan te wijzen.
Ook Hugo de Groots toenadering werd door verscheiden jezuïeten te eenzijdig aan contact met leden van de Sociëteit toegeschreven. Naast een belangrijke figuur als de om zijn theologische en historische werken in heel het toenmalige Europa bekende Franse jezuïet Denis Pétau (Petavius) treden ook andere, seculiere priesters in het licht, die met Grotius in zijn laatste jaren geregeld correspondeerden, o.a. de Antwerpse kanunnik Johan Hemelaer, Hagenaar van geboorte, zelf een bekeerling, die in de terugkeer van Anna Roemers groot aandeel had, ook weer de brede Marius en naast hem de Duitse priester Bartholdus Nihusius, lutheraan van geboorte, maar door Marius te Keulen in de katholieke kerk opgenomen. Deze priester woonde van omstreeks 1630 tot tegen 1650 meest te Amsterdam, waar hij zekere handreiking in de missie verleende, maar vooral in de drukkerij van Blaeu werkzaam was, om toezicht te houden op de druk van de vele katholieke boeken, die daar - niet zelden onder het fictieve drukkersadres 'Judocus Calcovius tot Keulen' - op de pers werden gelegd: tal van devotieboeken, missalen, brevieren, theologische traktaten van Nederlandse en niet-Nederlandse auteurs. Ook Nihusius' eigen geschriften werden bij Blaeu gedrukt. Deze drukker, die zijn grote atlas der aarde, de onsterfelijke roem van zijn persen, aan paus Alexander VII opdroeg, de hem van vroeger zeer welbekende mecenas en bibliofiel Fabio Chigi, wekte door zijn relaties tot de katholieke wetenschappelijke wereld zozeer de ergernis van de calvinisten, dat deze de brand, die in 1673 zijn drukkerij verwoestte, uitmaakten voor een gerechte straf des hemels voor de diensten, die hij aan de afgoderij had bewezen.
Barthold Nihusius was het, die als corrector bij Blaeu Gratius' 'Discussio' corrigeerde en de proef daarvan aan Vondel ter vertaling gaf. Toen de jezuïetenprovinciaal Andreas Judoci zijn voorbarig bericht omtrent Grotius' bekering naar Rome had gezonden, waar het natuurlijk opzien baarde en twijfel wekte, informeerde de Keulse nuntius Chigi dan ook bij Nihusius, hoe de vork in de steel zat. De deskundige corrector zette de zaak recht en stelde de nuntius in staat de curie mee te delen, dat het verslag van pater Judoci 'een zeer grove vergissing was'.
Op menige bekeerling van alle tijden is toepasselijk, wat Fabio Chigi naar aanleiding van deze en andere valse geruchten geestig opmerkte:
'Als Grotius zich bekeerde, zou het wel eens kunnen gebeuren, dat verscheidenen zich er de bewerker van noemden, zoals verschillende steden zich als de geboorteplaats van Homerus beschouwen.' Het is ook niet juist de zeer duidelijke verdichting in het nooit onderbroken proces van bekeringen omstreeks 1640-1650 al te nauw met het
remonstrantisme in verband te brengen; daarvoor komt ze wat te laat. En het gaat ook lang niet altijd om hele of halve remonstranten: de menisten hebben er ruim deel aan. In alle protestantse kampen moet omstreeks het midden van de zeventiende eeuw zekere moeheid, zekere beuheid van het sektarisme, van het gestadig kerkkrakelen aan den dag getreden zijn. De zucht naar kerkvrede, waarvan wij Grotius ten eerste als verwekker en verder als de grote vertegenwoordiger leerden kennen, leidde langs natuurlijke wegen - voor elke enkeling verschillend, maar alle verlicht door de onnaspeurlijke genade - tot het katholicisme. Wij zagen uit de meniste kring Vondel en Reyer Anslo overkomen; Anna Roemers en Maria Tesselschade waren remonstrants noch menist; Grotius - die formeel geen convertiet is - kon ten slotte nauwelijks remonstrants meer heten. Vossius, die aan Nihusius verklaard moet hebben, er geen bezwaar tegen te hebben, dat zijn kinderen katholiek werden en die zeer sceptisch dacht over de resultaten van de hervorming, heeft tot overgang naar het katholicisme blijkbaar nooit serieuze neiging gevoeld.
De Leidse hoogleraar Petrus Bertius daarentegen is een zuiver type van de katholiek-geworden remonstrant. Hij was een vriend en bewonderaar van Arminius geweest en had bij diens begrafenis de lijkrede gehouden, die het heftig misnoegen van Gomarus en diens medestanders opwekte. Sedert Arminius' dood was hij een van de voornaamste verdedigers van de remonstrantse gevoelens, waarin hij verder ging, dan velen uit zijn kring lief was. Voortdurend bleef hij in polemieken met de gomaristen gewikkeld. Na de Dordtse synode werd hij afgezet. Hij vertrok kort daarna met zijn gezin naar Parijs, waar hij in juni 1620 de katholieke geloofsbelijdenis aflegde. Zijn bekering werd door de protestanten in het vaderland algemeen beschouwd als een geslaagde poging om een professoraat aan de Sorbonne te verwerven, maar uit zijn geschriften van na 1620 blijkt voldoende, dat hij het katholicisme uit overtuiging aanhing. Zijn vrouwen kinderen volgden hem in de overgang; drie van zijn zoons werden karmeliet. Naast hem moet genoemd worden Joannes Corvinus, eigenlijk Ravens geheten. Deze was als student te Leiden nauw met Bertius gelieerd en nam na 1609 een eerste plaats in onder de remonstrantse theologen. Als predikant ten gevolge van de Dordtse synode afgezet, week hij eerst naar Waalwijk, vervolgens naar Antwerpen uit, waar hij het middelpunt werd van een daar oogluikend gedulde remonstrantse gemeenschap. Hij kwam door zijn steeds sterker blijkende neiging tot het katholicisme echter op den duur in moeilijkheden met zijn geestverwanten, vertrok naar Frankrijk, studeerde daar rechten en keerde naar de Republiek terug. Hier was hij korte tijd als advocaat werkzaam en stond hij in nauw contact met Marius en Grotius. In 1649 ging hij, vlak voor zijn dood, tot de katholieke kerk over. Zijn zoon Arnoldus was in 1644 katholiek geworden; hij was hoogleraar in de rechten aan de universiteit van Mainz. Een derde remonstrantse theoloog, die Rome hervond, is Petrus Engelrave, die na zijn afzetting in 1619 enige jaren achtereenvolgens te Waalwijk en te Antwerpen woonde en van 1621 tot 1627 in het hertogdom Holstein als predikant werkzaam was. Hij legde dit ambt neer en werd door pater Nicolaas Jansenboy D.P. tussen 1627 en 1630 in de katholieke kerk opgenomen. In hoeverre de predikant Jacobus Ouseels, die op ongeveer 28-jarige leeftijd door toedoen van Marius te Amsterdam katholiek werd, tot de remonstranten te rekenen valt, is niet te zeggen; hij studeerde te Leuven en werd in 1644 priester gewijd.
Een geruchtmakende bekering was die van de Koudekerkse predikant Petrus de la Faille. Deze was in 1585 in het calvinisme geboren en daarin opgevoed, maar trad jong tot het katholicisme toe, studeerde te Leuven en ontving er de priesterwijding, doch viel na enige jaren af. Hij studeerde vervolgens theologie te Leiden en werd predikant te Koudekerk. Het is niet duidelijk, of hij tot de remonstranten moet worden gerekend; in ieder geval trad hij onder hen niet op de voorgrond. In 1627 werd hij op een aanklacht van zijn gemeente wegens katholiek-getinte preken enige weken gevangengezet en daarna uit de bediening ontslagen. Blijkens zijn verdediging voor de synode en de geschriften, waarin hij later van zijn terugkeer tot het katholicisme rekenschap gaf, waren de twisten tussen remonstranten en contra-remonstranten voor een belangrijk deel oorzaak, dat hij in het zoeken naar zekerheid voor zijn geloofsovertuiging ten slotte bij het uitgangspunt terugkeerde en het geloof in de zichtbare kerk van Christus hervond. Kort na zijn ontslag nam Rovenius hem weer in genade aan; daarna trad hij als missionaris te Amsterdam op.
De vruchtbaarste tijd voor bekeringen was die omstreeks 1640. Uit deze tijd dateert ook de overgang van de Rotterdamse gebroeders Roos, vijf in getal, van wie de advocaat Jacobus en de priester Johan het bekendst geworden zijn. Zij heten bekeerlingen uit het remonstrantisme, maar er is reden om de vraag te stellen, of hier niet meer schijn dan wezen in het spel is. De familie Roos was een oud patricisch geslacht. Bekend is burgemeester Jan Jacobszoon Roos, in 1572 als slachtoffer van zijn ambt een prooi geworden van de moedwil der Spaanse soldaten, die onder Bossu de stad binnendrongen. Deze burgemeester Roos was natuurlijk katholiek. Zijn zoon Jacob Janszoon Roos was tussen 1580 en 1610 geregeld lid van de stedelijke regering en trad ook in de Staten van Holland op de voorgrond. Zijn godsdienst is niet bekend; misschien behoort hij tot de vele patriciërs, die tussen Rome en Dordt bleven weifelen. Wij hebben van hen al verscheidenen ontmoet, die nog zeer dicht bij huis bleven en straks katholiek afstierven, zoals de Van Veens. Ook de Amsterdamse burgemeester Reinier Cant en de landsadvocaat Paulus Buys behoren ertoe. Jacobs zoon Hendrik Roos studeerde te Leiden en was van 1618 tot 1632 secretaris der stad Rotterdam. Hij heet remonstrants, maar kan dat nauwelijks geweest zijn, gezien zijn aanblijven na het verzetten van de wet door Maurits. Zijn vrouw was Margareta Kievit, wier familie in het algemeen katholiek gebleven was. Een broer van haar was Arent Kievit, de auteur van het 'Roomsch Katholyck Memorybouck'; tot haar naaste verwanten behoren ook de jezuïet Theodorus Kievit en de bisschoppen Adriaan en Pieter van Walenburgh.
Toch heet het, dat zij na haar huwelijk met de praktijk van het katholicisme gebroken heeft. De kinderen van deze officieel als rechtzinnig calvinist te boek staande stadssecretaris en diens van huis uit streng katholieke vrouw werden, indien wij de eenzijdige berichten omtrent hun bekering mogen geloven, in het gevoelen van Arminius opgevoed, wat voor dit eigenaardige echtpaar dat wel een zeer vreemde handelwijze was. Een betrouwbare indruk maken de mededelingen omtrent die remonstrantse gevoelens niet. Zij komen trouwens voor in hetzelfde verslag, dat zonder blikken of blozen de bekering van Hugo de Groot vermeldt, en behoren kennelijk tot die berichten uit de kring van de jezuïeten-missionarissen, waarvan wij de zwakke kanten reeds leerden kennen. Wat in hun voorstelling een officiële bekering heet, kan, gezien de antecedenten van de familie, wel een minder uitgesproken karakter gehad hebben. De priester Johan Roos zou later in zijn toenadering tot het jansenisme in elk geval het bewijs leveren, dat hij zijn Arminiaanse jeugd, zo deze dan werkelijkheid geweest is, geheel te boven gekomen was.
Weinig is ons bekend van de bekering van de in Duitsland geboren jurist Bernhard Sutholt, die van 1622 tot 1625 professor te Harderwijk was en in het laatstgenoemde jaar geschorst en vervolgens ontslagen werd op grond van zijn overgang tot de katholieke kerk. Van zijn veranderde overtuiging gaf hij rekenschap in een Latijns geschrift, dat nog in hetzelfde jaar te Keulen verscheen. Hij verliet de Nederlanden en woonde korte tijd te Dusseldorp, maar moet spoedig daarna overleden zijn. Of hij met Nederlandse katholieken in betrekking stond, is tot dusver niet onderzocht, zodat zijn bekering nog een losstaand geval schijnt. Zulke overgangen zijn ontelbaar. Van de bekendste noemen wij zonder enig streven naar een onbereikbare volledigheid de reeds ter sprake gebrachte kanunnik Hemelaer en diens oomzegger Petrus Golius, die in de orde van de karmelieten trad en een Europese naam verwierf als professor in de oosterse talen te Rome, een roem, die hij deelde met zijn broer, de Leidse hoogleraar Jacobus Golius, die levenslang protestants bleef; verder Johan Wandelman, oomzegger van de jezuïet Godfried Wandelman (zelf ook een bekeerling), in of kort na 1657 katholiek geworden, later als seculier priester te Amsterdam werkzaam, de juridische student Paulus van Wouw, later jezuïet, de seculiere priesters Joan Banningh Wuytiers, Joannes Dobbe en Joannes Mundanus Visscher, van wie de laatste hervormd predikant was geweest, en de Gelderse predikant Matthias Zelhorst. Terloops wezen wij er in het voorafgaande al op, dat ook deze medaille haar keerzijde heeft en het langzaam, maar blijkbaar ononderbroken dalen van het percentage katholieken in de Verenigde Nederlanden - een proces, dat meer dan drie-eneen-halve eeuw omvat - een symptoom moet zijn van pénétration calviniste of - om veiliger te gaan - van pénétration protestante. Duizenden katholieken zijn nog in de tweede helft van de zeventiende eeuw bij wijze van individuele afval voor de kerk verloren gegaan. Dit is een verschijnsel, waarop wellicht te weinig gelet werd door hen, die omstreeks het midden van de eeuw een tendens tot terugkeer bij vele protestanten signaleerden, de consequentie van het groeiend besef, dat de hervorming een grote vergissing was. Zelfs hebben enkelen zich in de biografie van die convertieten min of meer gespecialiseerd, misschien daarbij vergetend, dat de algemeen-historische waarde van de psychologie van zulk een convertieten-galerij wordt opgewogen door die van de psychologie der renegaten. Een galerij van renegaten zou ook leerzaam kunnen zijn. Dat deze ons niet ten dienste staat, mocht ons niet weerhouden het belangrijke verschijnsel der onmiskenbare wending van zekere geesten naar het eens versmade Rome gepaste nadruk te geven.
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Pius
Stevig Anker
**
Offline Offline

Posts: 55



« Reply #14 on: 05 August, 2008,; 16:59 »

5. Wijsbegeerte

Van de theologie naar de filosofie is maar een kleine stap voor een eeuw, waarin de wijsbegeerte nog veelszins naar het oude recept voor de ancilla theologiae werd gehouden. Nederlandse wijsgeren van betekenis heeft de zeventiende eeuw niet opgeleverd: Descartes was een Fransman en de te Amsterdam geboren Spinoza was een Portugese Israëliet uit een Maranenfami1ie. Hun invloed op de academiën was voorlopig gering. Tot over het midden van de zeventiende eeuw heeft de aristotelische traditie zich, zij het lang niet onbestreden en onverzwakt, gehandhaafd. Het cartesianisme won al tijdens het leven van de wijsgeer veel aanhangers in de Republiek, maar werd door de rechtzinnige theologen principieel bestreden, vooral door Voetius. Deze bekampte de leer van de katholieke Fransman, die hij niet alleen een atheïst, maar - wat in zijn mond nog erger was - ook een jezuïet of een jezuïtaster noemde, uit naam van de calvinistische rechtzinnigheid met de uiterste scherpte: de theorie van de methodische twijfel en de eis, dat de wijsbegeerte onafhankelijk zou zijn van de theologie, veroordeelde hij even scherp als Descartes' fysische denkbeelden. Bij hem sloten zich alle calvinistische godgeleerden aan: de Groningse hoogleraar Martinus Schoock noemde de Franse wijsgeer een gevaarlijk kwakzalver. Alleen de gewezen katholiek Arnold Geulincx, Antwerpenaar van geboorte en oud-leerling van Leuven, die omstreeks 1660 tot het calvinisme overging en in 1665 de leerstoel van de wijsbegeerte te Leiden beklom, streefde naar een verzoening van de calvinistische rechtgelovigheid met de cartesiaanse methode. In de tweede helft van de zeventiende eeuw vestigde zich het stelsel van Descartes echter ondanks de academische statuten, die het vasthouden aan Aristoteles bleven voorschrijven, aan vrijwel alle Nederlandse universiteiten. Daarin kan althans tot op zekere hoogte een nederlaag van de calvinistische geest gezien worden, een bewijs, hoe deze ook op het gebied van de wijsbegeerte het nationale leven allerminst beheerste.
Ofschoon de katholiek Descartes in Nederland, waar hij van 1629 tot 1649 meestal woonde, met enige vooraanstaande geloofsgenoten in vrij geregeld contact stond, voornamelijk met de priesters Ban en Bloemaert, is er van invloed van zijn denkbeelden op de Noordnederlandse katholieken niet te spreken, tenzij men die wil signaleren in de geest, waardoor Bans muziektheorieën worden gedragen. Vermoedelijk nam zijn invloed door de priesteropleiding te Leuven in het midden van de seculiere clerus gaandeweg toe, maar van wetenschappelijke bemoeiing met de filosofie is gedurende de zeventiende eeuw onder de missie-clerus geen spoor. Leuven was trouwens volstrekt niet onverdeeld voor Descartes geporteerd. De jezuïeten bestreden hem daar, evenals in Frankrijk, met grote scherpte. De veroordeling van het cartesianisme door de Leuvense universiteit in 1662 was waarschijnlijk grotendeels van buitenaf opgelegd en heeft niet kunnen beletten, dat het stelsel er steeds meer de overhand kreeg. Of er, wat de Noordelijke Nederlanden aangaat, gesproken kan worden van causale samenhang tussen cartesiaanse sympathieën en de bijval, die het leerstellig jansenisme in sommige kringen vond, is niet gemakkelijk vast te stellen. Wel vond Descartes veel instemming bij de Franse oratorianen en benedictijnen en in de kring van Port-Royal, maar wij zagen al, dat het jansenisme bij figuren als Neercassel hoofdzakelijk een spiritualistisch karakter droeg en met Pascal waarschijnlijk vreemd stond tegenover de cartesiaanse nadruk op het redelijke denken. Slechts in zoverre als Pascal en Descartes overeenstemmen - dit is in de volkomen scheiding van geloof en verstandelijke kennis - zou men van de Hollandse jansenisten kunnen onderstellen, dat zij cartesiaans ingesteld waren, als niet veeleer vaststond, dat zelfs bij de grootste koppen als Neercassel van eigenlijke belangstelling voor de wijsbegeerte niet te spreken valt.
Al hebben de mystiek uit Böhmes school en heel het protestantse piëtisme raakvlakken gemeen met Spinoza's denksfeer en al mag dientengevolge zelfs niet alle spinozistische invloed op de katholieke spiritualiteit ongerijmd geacht worden, de inwerking van het stelsel op de beoefenaars der wijsbegeerte is in de zeventiende-eeuwse Republiek niet diep geweest, al vormden zich bepaalde kringen, die zich met Spinoza's wijsbegeerte bezighielden en de beginselen ervan propageerden. Merkwaardig genoeg, wordt onder de vroegste bevorderaars van Spinoza's ideeën een katholiek genoemd, namelijk de Amsterdamse schoolhouder Franciscus van den Enden, van wie echter niet vaststaat, of zijn genegenheid niet meer de bescheiden persoon dan het stelsel van de wijsgeer gold. Van den Enden werd in 1602 te Antwerpen geboren en stierf in 1674 te Parijs, min of meer als slachtoffer van de oorlog tussen Frankrijk en de Republiek: hij intrigeerde te Parijs tegen Lodewijk XIV en werd terechtgesteld. Hij was van eenvoudige afkomst, werd door de Antwerpse augustijnen, later door de jezuïeten opgeleid en trad in de Sociëteit. Deze verliet hij echter om vervolgens letteren, rechten en medicijnen te Leuven te studeren. Inmiddels gehuwd, vestigde hij zich in 1645 te Amsterdam, waar hij aanvankelijk zonder veel succes een boekwinkel hield. Sedert 1652 hield hij er een particuliere Latijnse school, die spoedig een goede naam genoot en zoons uit de aanzienlijkste families trok. Hij liet zijn leerlingen stukken van zijn eigen hand, maar ook klassieke, zoals die van Terentius, in de schouwburg vertonen, wat tot protesten van de hervormde kerkeraad leidde, die hem als 'paaps schoolmeester' betitelde.
Tot zijn leerlingen behoorde dan Baruch de Spinoza, die op enigszins gevorderde leeftijd met de studie van de klassieke talen begon. Hij was vervolgens enige tijd als docent aan het instituut verbonden. Met Spinoza raakte Van den Enden zeer bevriend; samen bestudeerden zij Descartes en voor de ontwikkeling van Spinoza's denkbeelden moet de oudere vriend veel belangstelling hebben gehad. Dit bewijst overigens nog geen instemming ermee. Het staat in ieder geval vast, dat Van den Enden, die ook met Vondel op goede voet stond, zijn kinderen katholiek liet dopen en bij iedereen als katholiek te boek stond. Zelfs schijnt hij zekere katholiserende invloed op zijn omgeving te hebben geoefend: zo gingen zijn leerlingen Albert Burgh, eveneens een vriend en bewonderaar van Spinoza, en Dirk Kerckbrinck, een medicus, tot het katholicisme over. Ook de omtrent zijn dood bekend geworden bijzonderheden wijzen uit, dat hij katholiek gebleven was. Er is dus weinig reden om in de katholieke Van den Enden een spinozist te zien. Van verdere bemoeienis van katholieken met Spinoza's ideeën is slechts sprake, in zoverre Vondel zich in zijn 'Bespiegelingen' kennelijk te weer stelt tegen de strekking van al wat toen in de kringen van collegianten en andere vrije geesten opgang maakte en moest leiden tot een steeds verder gaande vervluchtiging van Christus' leer. In hem staat het positieve geloof aan de historische Christus tegenover sociniaanse Christus-ontkenning, het geloof in de transcendentie Gods tegenover de loochening van elk persoonlijk karakter van de Godheid. Scherper en vroeger dan de meeste tijdgenoten heeft de katholiek Vondel de crisis van het christelijk geloof tegen het eind van de zeventiende eeuw voorzien, toen het calvinisme, voor zover het de geesten van de Nederlandse protestanten ooit gevangen had, machteloos bleek te staan tegen de ontbindende krachten van het veldwinnend pantheïsme.
Omtrent Van den Enden mag ons weinig bekend zijn, maar in Albert Burgh, de kleinzoon van de schepen, die Vondels beschermer was geweest in de benauwde dagen na de verschijning van Palamedes, begroeten wij de consequente protestant, die de geleidelijke uitholling van het christelijk geloof tot het eind bleef volgen om 'door Spinoza heen' terug te keren tot het uitgangspunt, de kerk van Christus. Waarschijnlijk is het bij zulke enkelingen gebleven, maar bij hen demonstreert zich te duidelijker, hoe machteloos de eindeloos versplinterde hervorming reeds een eeuw na de oplegging van het calvinisme was geworden om de natie in het christendom samen te binden. Geen officiële bescherming van de staat, geen drukpersverbod voor geschriften, die het rechtzinnig geloof ondermijnden, hebben immers kunnen beletten, dat het veelkleurige leven in protestantse kringen, dat met wat eenzijdig optimisme de 'zeventiende-eeuwse geestesbloei' is genoemd, niet alleen buiten de officiële kerk om, maar er zelfs rechtstreeks tegenin ging, zodat het althans de schijn had, of de Dordtse dogmatiek nauwelijks nog aanhang behield buiten de kring van de zeer smalle gemeente in stad en land. Als niets meer bindt dan een met willekeur gevestigd synodaal gezag, gaan alle naturen al experimenterende de eigen vrije weg der eindeloze sektevorming. Niet als in de Moederkerk, die binnen haar eenheid allerlei variaties van de spiritualiteit veilig verenigen kan, bleef in het protestantisme onder Dordtse hegemonie alleen de ontbinding mogelijk, het eeuwig zich herhalend protest en de telkens nieuwe verbijzondering. Zo leeft aan het eind van een eeuw calvinisering het Nederlandse protestantisme zich uit in allerlei 'emancipaties' van piëtisme, mysticisme en christelijk-communisme. In figuren als J acob Koelman, de gebroeders Koerbach, Anna Maria van Schuermann, Adriaan Verschoor, Gichtel, de Labadie, Plockhoy, Swammerdam, Adriaan Paets, Koenraad van Beuningen, Antoinette Bourignon met hun vrije associaties en hun vaak zo desperate pogingen om het Godsrijk op aarde te verwezenlijken, tekent zich het tragisch zelfvernietigingsproces van de hervorming krampachtig af. Dat een enkele ontwortelde katholieke renegaat als de Labadie of Bourignon hier te lande voor individualistische experimenten het proefveld vond, dat in het eigen land scheen te ontbreken, mag dan geprezen worden als een deugd van onze geestelijke vrijheid, mits wij maar vaststellen, dat geen corporatie zich daaraan zo geërgerd heeft als de calvinistische kerk van Dordt. Dat dit leven toch naast haar kon ontluiken en tieren, bevestigt haar machteloosheid, de mislukking van haar streven om een natie met al haar verschillen van karakter, temperamenten en vroomheidstypen te verenigen.
Logged

Gepassioneerd onhip, vurig apparatchik, burgerlijk met overgave, 'middle of the road' on full speed.
Pages: [1] 2 3   Go Up
  Print  
 
Jump to:  


Powered by SMF 1.1.13 | SMF © 2006-2011, Simple Machines LLC  •  Endless Mc by: © 2009, Crip